Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Minder privégebruik woning door plaatsen zonnepanelen

Bij een eigen woning werd een kantoorruimte gebouwd. De volledige BTW op de bouwkosten werd als voorbelasting in aftrek gebracht. Na een boekenonderzoek door de fiscus werd overeengekomen dat 77,68% van de woning voor privé werd gebruikt. In 2014 werden zonnepanelen op de woning geplaatst. In de BTW-aangifte over het vierde kwartaal van 2014 werd, in afwijking met de eerdere afspraak met de fiscus, uitgegaan van 33% zakelijk gebruik van de woning. De eigenaar van de woning stelde dat het zakelijk gebruik van de woning was gestegen door de installatie van de zonnepanelen. De fiscus legde een naheffingsaanslag en in beroep daarover oordeelde Rechtbank Gelderland dat door de plaatsing van de zonnepanelen het zakelijk gebruik van de woning niet was gestegen. In hoger beroep was de Hof Arnhem-Leeuwarden van oordeel dat het privégebruik van de woning moest worden berekend aan de hand van de oppervlaktes van de nuttige ruimtes van de woning. Volgens het Hof had de plaatsing van de zonnepanelen op het dak tot gevolg dat het deel van het dak waar de zonnepanelen waren bevestigd niet meer alleen ten dienste stond van de nuttige ruimtes in de woning, maar ook van de energieopwekking. Dat deel van het dak had door dit gewijzigde gebruik een extra functie verkregen. Het moest daarom aangemerkt worden als nuttige ruimte. Daardoor was de totale nuttige ruimte van de woning voor zakelijk gebruik door plaatsing van de zonnepanelen toegenomen met 10,9 m² en was totale privégebruik van de woning 74,2%. De naheffingsaanslag werd verminderd.

uitspraak:

Geen navordering mogelijk tijdens lopend boekenonderzoek

Tijdens een vanaf 30 juni 2009 lopend boekenonderzoek werd op 11 december 2009 vrijwillig melding gedaan van buitenlandse bankrekeningen. Met dagtekening 18 december 2009 en 5 februari 2010 legde de fiscus aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 op, zonder rekening te houden met de uitkomsten van het boekenonderzoek en met de vrijwillige verbetering. Met dagtekening 23 oktober 2010 werden navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 en 2007 opgelegd in verband met de vrijwillige verbetering. In november en december 2011 werden navorderingsaanslagen IB/PVV 2006 en 2007 opgelegd. Daarbij werden de resultaten verwerkt van het boekenonderzoek. In hoger beroep oordeelde Hof ‘s-Hertogenbosch dat de fiscus een ambtelijk verzuim had begaan. Er waren aanslagen en de eerste navorderingsaanslagen opgelegd, terwijl het boekenonderzoek nog bezig was. Het was niet van belang dat die aanslagoplegging geautomatiseerd had plaatsgevonden en evenmin dat het verzuim van de fiscus eruit bestond dat, na het besluit om een onderzoek in te stellen, was nagelaten de afdoening van de aangiftes in het geautomatiseerde systeem van de belastingdienst te blokkeren. Ook om andere redenen was navordering niet mogelijk. Er was bij de fiscus sprake van een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten. Van kwade trouw bij de belastingplichtige was geen sprake, omdat de fiscus niet aannemelijk had gemaakt dat uitdelingen bewust niet waren opgenomen in de aangifte en omdat er met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden een pleitbaar standpunt aanwezig was geweest. De navorderingsaanslagen werden vernietigd.

uitspraak:

Geen dienstbetrekking voor 60 vennoten

Binnen een VOF werden koeriersdiensten verricht. Als vennoten van de VOF stonden zo’n zestig vennoten ingeschreven bij de KvK. Een vennoot had de dagelijkse leiding over de VOF en een andere beschikte over de vakbekwaamheid beroepsgoederenvervoer. De overige vennoten waren chauffeurs. In 2007 was de fiscus, na een onderzoek, akkoord gegaan met de kwalificatie van de chauffeurs als zelfstandig ondernemer. In maart 2013 kwam de fiscus daarop terug. De VOF diende met ingang van 1 april 2013 aangifte loonheffing te doen voor al de werkzame chauffeurs. De fiscus stelde dat de chauffeurs geen vennoten waren van de VOF, maar dat ze in een (fictieve) dienstbetrekking stonden tot de VOF. In beroep tegen de aan de VOF uiteindelijk opgelegde naheffingsaanslagen loonheffing oordeelde de Rechtbank Den Haag dat alle chauffeurs in de winst en het verlies van de VOF deelden. Ondanks dat de beloning van een chauffeur vooral gekoppeld was aan zijn winstbijdrage, betekende dat nog niet dat er dan sprake was van een dienstbetrekking. Deze wijze van winstverdeling was niet ongebruikelijk bij een VOF. Ook was het delen in het verlies van de vermeende ‘werkgever’ niet te verenigen met arbeid die in dienstverband werd verricht. De rechtbank besliste dat de chauffeurs als ‘vennoten’ deelden in de resultaten van de VOF. De chauffeurs waren hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden en liepen daarmee ondernemersrisico. Ook dat was niet te verenigen met het verrichten van arbeid in dienstverband. Volgens de rechtbank was de VOF ook voldoende reëel. De VOF was niet inhoudingsplichtig en de naheffingsaanslagen kwamen te vervallen.

uitspraak:

Verlies op Spaanse vakantiewoning aftrekbaar

De Nederlandse aandeelhouder van een Spaanse SL verstrekte in 2004 een lening aan die SL. De lening was nodig om een pand in aanbouw in Spanje te kopen. Na afbouw werd het pand ter beschikking gesteld als vakantiehuis van de aandeelhouder. In 2011 werd het vakantiehuis verkocht voor € 210.000. In de IB-aangifte over 2010 werd de vordering op de SL afgewaardeerd. De aandeelhouder gaf een negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen aan van € 246.352. De fiscus accepteerde die  afwaardering niet. In beroep oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de verstrekte lening onzakelijk was. Er was niet aannemelijk gemaakt dat een derde hetzelfde debiteurenrisico zou hebben aanvaard als de aandeelhouder had gedaan toen hij de lening verstrekte. In hoger beroep was Hof ‘s-Hertogenbosch van mening dat er geen sprake was van een onzakelijke lening. Op het moment dat de lening werd aangegaan had de SL in materiële zin voldoende zekerheid gegeven voor nakoming van haar verplichtingen uit de leningsovereenkomst. De vastgoedmarkt in Spanje was toen zodanig goed, dat alleen al de destijds te verwachten jaarlijkse waardestijging van het pand voldoende zekerheid bood dat de SL aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Verder vond het hof dat de fiscus niet aannemelijk had gemaakt dat de voorwaarden waaronder de lening was verstrekt onzakelijk waren. Het moment van aangaan van de lening vormde het relevante toetsmoment. Dat de verhuurinkomsten achteraf bezien tegenvielen, was dan niet van belang voor dat toetsmoment. De afwaardering was aftrekbaar.

uitspraak:

Afwaardering TBS-vordering door DGA toegestaan

Een aandeelhouder van een Holding-BV (DGA), welke holding de helft van de aandelen bezat in diverse Werk-BV’s, had eind 2013 in rekening-courant een vordering op zijn holding van € 183.679. De vordering dateerde uit 1996, het jaar van oprichting van de BV. De vordering was geleidelijk opgelopen. In 2013 wilde de DGA deze terbeschikkingstellingsvordering (TBS) ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden afwaarderen. Met de fiscus was in geschil of sprake was van een onzakelijke lening. De holding had eind 2013 een negatief ondernemingsvermogen van € 67.950. De Werk-BV’s hadden toen € 1.883.177 aan onverrekende verliezen. De Rechtbank Gelderland oordeelde dat de lening zakelijk was. Dit ondanks dat de DGA nooit zekerheden had verlangd. Ook was de rente nooit verhoogd. De fiscus kon niet aannemelijk maken dat een onafhankelijke derde de lening niet zou hebben verstrekt. Weliswaar waren de resultaten van de BV’s vanaf 2002/2003 negatief geworden; het vermogen was steeds positief. Dat was zeker zo als de stille reserve in het vastgoed in aanmerking werd genomen. De DGA, maar ook de mede-aandeelhouder en de bank hadden daardoor voldoende dekking voor hun vorderingen. Omdat sprake was van een zakelijke lening kon de vordering eind 2013 ten laste van het box 1 inkomen afgewaardeerd worden.

uitspraak: