Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Achtergestelde lening niet onzakelijk

Een BV hield alle aandelen in twee andere BV’s. Eind 2003 verkocht de BV de aandelen in een van de dochtervennootschappen voor € 675.000. Daarbij werd overeengekomen dat de koper de vordering van de verkoper op de verkochte dochtervennootschap van € 356.561 van de verkoper zou overnemen. Die vordering werd omgezet in een achtergestelde lening. In 2013 werd de lening afgewaardeerd tot € 100.000. Volgens de fiscus was er echter geen sprake van een zakelijke lening. In beroep oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat de lening wel afgewaardeerd kon worden. Volgens de rechtbank was er namelijk wel sprake van een zakelijke lening. De rechtbank wees er daarbij op dat in 2003 een nieuwe lening tussen de verkoper en koper tot stand was gekomen. Op dat moment moest worden beoordeeld of er sprake was van een zakelijke lening. Deze beoordeling vond niet alleen plaats, zoals de fiscus stelde, op het moment van ontstaan van de rekening-courant-vordering. Verder stelde de rechtbank nog dat de achterstelling onverbrekelijk samenhing met de verkoop van de aandelen.

uitspraak:

BOR van toepassing bij schenking aandelen Vastgoed BV

Moeder schonk aan haar zoon op 31 december 2014 de aandelen in een BV in verband met de bedrijfsopvolging binnen de familie. Deze aandelen vormden een (fictieve) onroerende zaak voor de overdrachtsbelasting. De zoon droeg vervolgens na aangifte € 141.360 aan overdrachtsbelasting af. In geschil met de fiscus was of de bedrijfsopvolgingsregeling van de overdrachtsbelasting (BOR) van toepassing was op een dergelijke verkrijging. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat voor de overdrachtsbelasting de BOR ook van toepassing was bij de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam. De wetsfictie in de overdrachtsbelasting had slechts als doel te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting zou worden ontgaan. Volgens het hof was niet beoogd om een daaraan tegenovergesteld resultaat te bewerkstelligen. De vrijstelling was volgens het hof van toepassing als voldaan zou zijn aan twee voorwaarden: de aandelen werden gehouden in een vennootschap met een materiële onderneming, én de volledige zeggenschap in de onderneming ging over van de ouder op het kind. Omdat daarvan sprake was bestond recht op de vrijstelling. Ook de conclusie van de Advocaat-generaal Wattel (AG) in het cassatieberoep was dat de verkrijging was vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Een verkrijging van fictieve onroerende zaken zou niet ongunstiger worden behandeld dan de verkrijging van de onroerende zaken zelf. De zoon hoefde voor het genieten van de vrijstelling geen IB-onderneming te verkrijgen. Dit volgde uit de wet noch uit de wetgeschiedenis. De A-G heeft de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

uitspraak:

Kluskavel eigen woning voor overdrachtsbelasting

De gemeente Den Haag beschikte over een gebouw dat in het verleden dienst had gedaan als bedrijfs- en kantoorpand. In opdracht van de gemeente was het gebouw getransformeerd in een gebouw met ‘kluskavels’, die een woonfunctie of een bedrijfsfunctie konden krijgen. Een toekomstig bewoner kreeg op 6 oktober 2016 een kluskavel. Tot dat moment had de gemeente het pand intern gestript tot casco en waren er diverse werkzaamheden verricht. Met de fiscus was in geschil is of de kluskavel een woning was voor de overdrachtsbelasting. Rechtbank Den Haag oordeelde van wel. De rechtbank wees er daarbij op dat er een omgevingsvergunning was voor het bouwen van een woning. In hoger beroep was Hof Den Haag het met de rechtbank eens dat er sprake was van een woning. Daarbij was het tarief van 2% van toepassing. Het hof stelde echter vast dat het object ten tijde van de verkrijging ook al een woning was. Volgens het hof hadden de door de gemeente tot aan de verkrijging verrichte verbouwingswerkzaamheden er namelijk toe geleid dat de appartementen in het voormalige kantoorpand woningen waren.

uitspraak:

Aftrek van BTW bij vooruitbetaling aankoop zonder uiteindelijke levering

De Duitse belastingdienst weigerde aftrek van BTW die eerder was voldaan inzake gedane vooruitbetalingen voor de levering van warmtekrachtcentrales. Die werden uiteindelijk niet geleverd. Naar aanleiding van aan het Europese Hof van Justitie (HvJ) gestelde vragen heeft die beslist, dat volgens de Europese BTW-richtlijn er ook recht op aftrek van BTW  was over een vooruitbetaling. Dat was het geval wanneer de potentiële koper van de betrokken goederen deze vooruitbetaling deed, die betaling ook door de verkoper werd ontvangen, terwijl ten tijde van die vooruitbetaling mocht worden aangenomen dat die koper bekend was met alle relevante elementen van de toekomstige levering. Daardoor leek de levering van die goederen zeker. Er was geen recht op aftrek wanneer op basis van objectieve gegevens zou vaststaan dat de koper ten tijde van de vooruitbetaling wist of redelijkerwijs moest weten dat die levering onzeker was.

uitspraak:

Lijfrentepremie in mindering voor te betalen premie Zvw?

Een ondernemer behaalde bij het staken van zijn onderneming € 32.196 stakingswinst. Na ondernemingsaftrek en MKB-winstvrijstelling resteerde een belastbare winst van € 18.305. Vervolgens betaalde de ondernemer een (stakings)lijfrentepremie van € 18.500. Die werd voor de inkomstenbelasting in aftrek gebracht. Datzelfde bedrag wilde de ondernemer ook voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) in aftrek brengen. Volgens de fiscus kon dat niet. De ondernemer stelde dat er dan sprake zou zijn van dubbele heffing omdat de uitkeringen straks ook zouden meetellen voor het berekenen van de Zvw-bijdrage. En voor werknemers gold die heffing niet. De rechtbank oordeelde dat de premie niet aftrekbaar was en vond dat er geen sprake was van een schending van de EVRM. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof dat het verdrag wel werd geschonden op het punt van het discriminatieverbod. Zelfstandigen werden volgens het hof nadeliger behandeld dan pensioenopbouwers, zonder dat daarvoor een voldoende concrete en gewichtige (doelmatigheids)reden was die dat zou kunnen rechtvaardigen. De adviseur van de Hoge Raad, de Advocaat Generaal (A-G) was het met de ondernemer eens. Het advies aan de Hoge Raad luidde dan ook dat er geen onoverkomelijke bezwaren waren om de dubbele heffing af te schaffen. Zo niet, dan was nog de vraag of de dubbele heffing die zo zal ontstaan, niet in strijd zou komen met het Europese verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) op het gebied van eigendomsgrondrecht en discriminatie. Uiteindelijk zal de Hoge Raad zich moeten buigen over de vraag of de lijfrentepremie ook in aftrek kon worden gebracht over het inkomen waarover de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zou worden berekend.

uitspraak: