Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Advieskosten in verband met bedrijfsoverdracht vaak niet aftrekbaar

Een holding-BV heeft in 2009 een werk-BV verkocht waarvan zij 46% van de aandelen had. Vooruitlopend hierop heeft de deelneming kosten gemaakt voor onder meer strategisch advies, consultancy, vendor due diligence, het opstellen van een koopovereenkomst, juridisch advies en een digitale dataroom. Die kosten zijn doorberekend onder meer aan de holding. Het gerechtshof vond dat al deze kosten niet-aftrekbare deelnemingskosten vormen. De Hoge Raad heeft nu gezegd dat:

een bepaalde kostenpost alleen onder de deelnemingsvrijstelling valt indien er een verband bestaat tussen die kostenpost en de verwerving of de vervreemding van een deelneming;
het daarbij moet gaan om een rechtstreeks oorzakelijk verband;
kosten als deelnemingskosten moeten worden aangemerkt indien zij worden opgeroepen door de verwerving of de vervreemding van de deelneming, in die zin dat de kosten zonder die verwerving of die vervreemding niet zouden zijn gemaakt;
de aanwezigheid van een zodanig verband naar objectieve maatstaven dient te worden beoordeeld;
het aftrekverbod voor aan- en verkoopkosten zowel interne als externe kosten omvat;
uitsluitend kosten die verband houden met de daadwerkelijke verwerving of vervreemding van een specifieke deelneming worden geraakt door het aftrekverbod, zodat een verband dus slechts kan bestaan indien die verwerving of die vervreemding doorgang vindt;
voorstelbaar is dat de verkoop van een deelneming afketst, maar die deelneming in een volgende fase aan een andere partij wordt vervreemd. In zo’n geval moet worden beoordeeld in hoeverre de verkoopkosten die zijn gemaakt in die eerste fase ook zouden zijn gemaakt indien die fase niet had plaatsgevonden. Slechts in zoverre worden die kosten getroffen door het aftrekverbod;
goed koopmansgebruik meebrengt dat de belastingplichtige voor kosten ter zake van de voorgenomen aankoop of vervreemding van een deelneming een transitorische actiefpost op de balans opneemt en handhaaft totdat vaststaat dat de aankoop of vervreemding inderdaad doorgang vindt. Op dat moment dient deze actiefpost te worden afgeboekt en moet worden bepaald in hoeverre het bedrag van die afboeking onder de deelnemingsvrijstelling valt.

Een ander hof moet nu beslissen of de genoemde kosten al dan niet aan deze voorwaarden voldoen.

Geen boete ondanks niet aangegeven buitenlandse bankrekeningen

In de vorm van een manvrouwfirma werd in Duitsland een agrarische onderneming gedreven. Medio 2011 werd deze onderneming gestaakt. Tot 11 januari 2012 woonde het echtpaar in Duitsland, daarna volgde remigratie naar Nederland. In het M-biljet over 2012 werd gekozen voor binnenlandse belastingplicht gedurende heel 2012. Ten onrechte waren de saldi van de Duitse bankrekeningen per 1 januari 2012 met een totaal van € 1.984.622 niet in deze aangifte verantwoord. De aangifte was verzorgd door een administratiekantoor. De fiscus legde een navorderingsaanslag op met 25% vergrijpboete. De boete was in geschil voor de rechter. Volgens Rechtbank Noord-Nederland had de fiscus niet bewezen dat er sprake was van samenwerking met het administratiekantoor, waardoor het aan grove schuld was te wijten dat de aangifte tot een te laag bedrag was gedaan. Ook in hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat niet aannemelijk was dat de echtgenoten het bestaan van de Duitse bankrekeningen voor hun toenmalige adviseur verborgen hadden willen houden. Ze hadden de fiscale gevolgen van de remigratie en de keuze voor behandeling als binnenlands belastingplichtige namelijk niet volledig overzien. Omdat hun toenmalige adviseur over deze kwestie ook overleg had gehad met een externe fiscalist mochten zij mede om die reden op zijn kennis vertrouwen. Bovendien vond de remigratie na 1 januari 2012 plaats. De saldi waren ten tijde van de verzoeken om informatie door hun toenmalige adviseur inmiddels (bijna geheel) naar Nederlandse rekeningen overgeheveld. Er was geen sprake van grove schuld. Het maakte voor de boete-oplegging niet uit dat hun toenmalige adviseur voor de onjuiste IB-aangifte wel een verwijt kon worden gemaakt. Het beroep van de fiscus werd verworpen.

uitspraak:

Vrijstelling overdrachtsbelasting voor verkrijging aandelen in Vastgoed-BV

De aandeelhouder van een BV, met daarin een vastgoedportefeuille, schonk de aandelen in die BV aan zijn dochter. De Vastgoed -BV hield zich bezig met het aankopen, ontwikkelen, verkopen en verhuren van onroerende zaken. Sinds mei 2010 was de dochter werkzaam bij de BV en ondersteunde zij haar vader bij zijn werkzaamheden. Na de schenking nam ze alle werkzaamheden over. Volgens de fiscus was geen vrijstelling voor de overdrachtsbelasting van toepassing. De voortzettingsvrijstelling voor ouders – kinderen zou alleen gelden voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Er werd een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. Niet in geschil was dat de aandelen moesten worden aangemerkt als fictieve onroerende zaken. Ook stond vast dat de vastgoedportefeuille dienstbaar was aan, en behoorde tot de materiële onderneming van de BV. Naar de letter van de wet was bovendien geen sprake van een vrijgestelde verkrijging. Hof Amsterdam oordeelde dat toch recht bestond op toepassing van de vrijstelling. Ook de Hoge Raad stelde dat de verkrijging van de aandelen was vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Het kind zou de vrijstelling hebben genoten als het de onroerende zaken zou hebben verkregen van zijn ouder en het de onderneming van de ouder zou hebben voortgezet. Met de wetsfictie dat aandelen in een Vastgoed-BV met het vastgoed zelf te vereenzelvigen waren werd niet beoogd om de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen. Dit voorzover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven. De naheffingsaanslag kwam te vervallen.

uitspraak:

 

Vrijstelling van BTW voor schuldpreventie

De activiteiten van een ondernemer met een administratie- en fiscaal advieskantoor bestonden uit budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering. Er werd al dan niet gebruik gemaakt van de instrumenten van beschermingsbewind en curatele. De diensten werden vrijwel uitsluitend verleend aan personen met een verstandelijke beperking, die niet in staat waren om zelfstandig hun financiën te beheren. Sommige cliënten verbleven in een 24-uurs zorginstelling. Anderen woonden zelfstandig maar stonden onder toezicht van een zorginstelling. De fiscus had naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. In geschil met de fiscus was of de diensten waren vrijgesteld voor de omzetbelasting. De rechtbank stelde dat de ‘verpleeg’vrijstelling niet van toepassing was. Volgens de rechtbank waren de diensten niet kenmerkend en essentieel voor het verzorgen van in een inrichting opgenomen personen. Het beheer van de financiën was geen taak die rechtstreeks onder de verzorging of verpleging viel. Wel achtte de rechtbank de vrijstelling voor schuldhulpverlening van toepassing. De rechtbank vond dat niet alleen hulp bij problematische schulden, maar ook het voorkomen van problematische schulden onder schuldhulpverlening moest worden begrepen. Dit sloot ook aan bij de ratio de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties.

uitspraak:

Verlies op vordering als gevolg van negatief vermogen vennoot aftrekbaar

Een man was samen met zijn vrouw en vader firmant in een VOF. Vader stapte per 1 juli 2008 uit de VOF. Op dat moment had hij een negatief aandeel in het vermogen van € 116.603. Op 7 oktober 2009 werd dat negatieve kapitaal per 1 juli 2008 omgezet in een vordering van de VOF op de vader. Op 1 januari 2011 bedroeg deze vordering € 123.830. In dat jaar loste de vader zijn schuld aan de VOF af tot € 60.555. Verdere ruimte voor aflossing was er niet. Het restantbedrag van € 60.555 was daardoor oninbaar. De zoon waardeerde in 2011 het restantbedrag van de vordering in 2011 af ten laste van de winst. De fiscus stelde, dat dit niet mogelijk was. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad beslist dat de onderlinge rechtsbetrekkingen tussen de vennoten in de VOF op zakelijke gronden berustten. De fiscus had het tegendeel ook niet gesteld. Een vordering op een uittredende vennoot in verband met aanzuivering van het negatieve kapitaal kwam dan rechtstreeks voort uit de verdere zakelijke vennootschappelijke verhoudingen. Zo’n vordering kon niet worden gelijkgesteld aan een vordering uit hoofde van een geldverstrekking aan de uittredende vennoot. Omdat de nominale waarde van de vordering tot aanzuivering op het moment van haar ontstaan hoger was dan de waarde in het economische verkeer ervan kwam dat verlies ten laste van de winst van de achterblijvende vennoten. Bij een eventueel verder verlies dat na het uittreden door de achterblijvers zou worden geleden kon de rechtspraak over onzakelijke leningen wel aan de orde komen. Het beroep in cassatie was gegrond.

uitspraak: