Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Vrijstelling overdrachtsbelasting voor verkrijging aandelen in Vastgoed-BV

De aandeelhouder van een BV, met daarin een vastgoedportefeuille, schonk de aandelen in die BV aan zijn dochter. De Vastgoed -BV hield zich bezig met het aankopen, ontwikkelen, verkopen en verhuren van onroerende zaken. Sinds mei 2010 was de dochter werkzaam bij de BV en ondersteunde zij haar vader bij zijn werkzaamheden. Na de schenking nam ze alle werkzaamheden over. Volgens de fiscus was geen vrijstelling voor de overdrachtsbelasting van toepassing. De voortzettingsvrijstelling voor ouders – kinderen zou alleen gelden voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Er werd een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. Niet in geschil was dat de aandelen moesten worden aangemerkt als fictieve onroerende zaken. Ook stond vast dat de vastgoedportefeuille dienstbaar was aan, en behoorde tot de materiële onderneming van de BV. Naar de letter van de wet was bovendien geen sprake van een vrijgestelde verkrijging. Hof Amsterdam oordeelde dat toch recht bestond op toepassing van de vrijstelling. Ook de Hoge Raad stelde dat de verkrijging van de aandelen was vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Het kind zou de vrijstelling hebben genoten als het de onroerende zaken zou hebben verkregen van zijn ouder en het de onderneming van de ouder zou hebben voortgezet. Met de wetsfictie dat aandelen in een Vastgoed-BV met het vastgoed zelf te vereenzelvigen waren werd niet beoogd om de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen. Dit voorzover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven. De naheffingsaanslag kwam te vervallen.

uitspraak:

 

Vrijstelling van BTW voor schuldpreventie

De activiteiten van een ondernemer met een administratie- en fiscaal advieskantoor bestonden uit budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering. Er werd al dan niet gebruik gemaakt van de instrumenten van beschermingsbewind en curatele. De diensten werden vrijwel uitsluitend verleend aan personen met een verstandelijke beperking, die niet in staat waren om zelfstandig hun financiën te beheren. Sommige cliënten verbleven in een 24-uurs zorginstelling. Anderen woonden zelfstandig maar stonden onder toezicht van een zorginstelling. De fiscus had naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. In geschil met de fiscus was of de diensten waren vrijgesteld voor de omzetbelasting. De rechtbank stelde dat de ‘verpleeg’vrijstelling niet van toepassing was. Volgens de rechtbank waren de diensten niet kenmerkend en essentieel voor het verzorgen van in een inrichting opgenomen personen. Het beheer van de financiën was geen taak die rechtstreeks onder de verzorging of verpleging viel. Wel achtte de rechtbank de vrijstelling voor schuldhulpverlening van toepassing. De rechtbank vond dat niet alleen hulp bij problematische schulden, maar ook het voorkomen van problematische schulden onder schuldhulpverlening moest worden begrepen. Dit sloot ook aan bij de ratio de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties.

uitspraak:

Verlies op vordering als gevolg van negatief vermogen vennoot aftrekbaar

Een man was samen met zijn vrouw en vader firmant in een VOF. Vader stapte per 1 juli 2008 uit de VOF. Op dat moment had hij een negatief aandeel in het vermogen van € 116.603. Op 7 oktober 2009 werd dat negatieve kapitaal per 1 juli 2008 omgezet in een vordering van de VOF op de vader. Op 1 januari 2011 bedroeg deze vordering € 123.830. In dat jaar loste de vader zijn schuld aan de VOF af tot € 60.555. Verdere ruimte voor aflossing was er niet. Het restantbedrag van € 60.555 was daardoor oninbaar. De zoon waardeerde in 2011 het restantbedrag van de vordering in 2011 af ten laste van de winst. De fiscus stelde, dat dit niet mogelijk was. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad beslist dat de onderlinge rechtsbetrekkingen tussen de vennoten in de VOF op zakelijke gronden berustten. De fiscus had het tegendeel ook niet gesteld. Een vordering op een uittredende vennoot in verband met aanzuivering van het negatieve kapitaal kwam dan rechtstreeks voort uit de verdere zakelijke vennootschappelijke verhoudingen. Zo’n vordering kon niet worden gelijkgesteld aan een vordering uit hoofde van een geldverstrekking aan de uittredende vennoot. Omdat de nominale waarde van de vordering tot aanzuivering op het moment van haar ontstaan hoger was dan de waarde in het economische verkeer ervan kwam dat verlies ten laste van de winst van de achterblijvende vennoten. Bij een eventueel verder verlies dat na het uittreden door de achterblijvers zou worden geleden kon de rechtspraak over onzakelijke leningen wel aan de orde komen. Het beroep in cassatie was gegrond.

uitspraak:

4,5% rente op lening bij ouders was wel zakelijk

Voor de financiering van de eigen woning werd op 3 januari 2015 een annuïteitenlening bij de ouders afgesloten. De lening van € 271.556 had een looptijd van 30 jaar. De rente was bepaald op 9% per jaar. De rente stond voor vijftien jaar vast. Voor de lening was geen zekerheid gesteld. In de IB-aangifte voor 2015 werd € 24.365 aan rente afgetrokken. De fiscus stelde dat de rente voor slechts € 12.183 zakelijk was. In beroep oordeelde Rechtbank Den Haag dat er geen substantieel risico was dat de lener de betaalverplichtingen niet na zou kunnen komen. Er was dan geen rechtvaardiging voor de extreem hoge rente. Kennelijk was de lening verstrekt vanwege de familierelatie en was de rente onzakelijk. Hypothecaire leningen met dezelfde rentevastperiode hadden in 2015 een rente van circa 3%. Aangezien voor de lening geen zekerheid was verstrekt, was het door de fiscus gehanteerde percentage van 4,5 daarom redelijk.

uitspraak:

Rente-aftrek voor recreatiewoning

Een man en vrouw stonden samen op het adres van een huurwoning ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Zij waren ook eigenaar van een recreatiewoning op een recreatiepark. Die woning mocht niet voor permanente bewoning worden gebruikt. De man werkte 8,5 uur per week op een school en exploiteerde daarnaast een onderneming gedurende tweemaal een uur per week. De echtgenote werkte verdeeld over vier dagen. Man en vrouw beschikten over één auto. De man bracht zijn echtgenote af en toe naar haar werk. De enkele reisafstand tussen de huur- en de recreatiewoning bedroeg met de auto 128 kilometer. In 2014 had de man in totaal 170 dagen/nachten in de recreatiewoning verbleven. In schriftelijke verklaringen van familie, vrienden, kennissen en buren van de man was vastgelegd dat hen bekend was dat de man en vrouw alle weekenden, vrije dagen en feestdagen doorbrachten in de recreatiewoning. Ook ontvingen ze daar hun visite en logees. Alleen voor hun werkzaamheden verbleven ze in de huurwoning. In de aangifte IB/PVV was voor de recreatiewoning de hypotheek voor de verwerving van die woning en daarmee samenhangende hypotheekrente in box 1 verantwoord. In beroep was de Rechtbank Den Haag van oordeel dat het zwaartepunt van het leven van man en vrouw zich afspeelde op het recreatiepark en omgeving en dat daarom de recreatiewoning als eigen woning kon worden aangemerkt.
Ook in hoger beroep leidden de feiten, in het bijzonder dat gedurende de weekenden (van vrijdagmiddag tot zondagavond, maar regelmatig ook tot maandag- of dinsdagochtend), de feestdagen, de schoolvakanties en de overige vrije dagen (in 2014 in totaal circa 170 dagen/nachten) in de koopwoning werd verbleven en dat daar verjaardagen werden gevierd en logees en visite werden ontvangen, voor het hof tot het oordeel dat de recreatiewoning het middelpunt van de persoonlijke belangen was. Dat de in omvang beperkte werkzaamheden in- en buiten loondienst in de omgeving van de huurwoning werden verricht en dat daar ook een deel van hun consumptieve uitgaven werden gedaan, wogen bij de beantwoording van de vraag waar de centrale levensplaats zich bevond minder zwaar. De recreatiewoning was de centrale levensplaats en daarmee het hoofdverblijf. Die diende als eigen woning te worden aangemerkt.

uitspraak: