Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Aanslag BTW van 33,7 miljoen vervalt

Bij een groothandel in computers, randapparatuur en software bedroeg de omzet voor binnenlandse leveringen een klein deel van de totale omzet. De rest van de omzet had betrekking op intracommunautaire transacties en uitvoer. De inkopen bestonden voornamelijk uit intracommunautaire verwervingen en invoer. Over de jaren 2007 – 2010 claimde de groothandel voor ongeveer € 5,2 mio aan BTW-voorbelasting. Uit een boekenonderzoek van de fiscus bleek dat er geen recht bestond op aftrek van voorbelasting voor de inkopen voorafgaand aan de intracommunautaire leveringen, omdat sprake zou zijn van fraude. Er werd daarom een BTW-naheffingsaanslag opgelegd van € 33,7 mio. De groothandel stelde dat er geen sprake was van fraude bij haar afnemers. Ook was het verdedigingsbeginsel geschonden omdat de fiscus niet alle stukken had overgelegd en omdat de naheffingsaanslag al vóór het bekendmaken van het voornemen was vastgesteld. Die was bovendien actief ingevorderd. Volgens de fiscus was het niet nodig om alle stukken te verstrekken. In beroep oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat de naheffingsaanslag niet vóór het bekendmaken van het voornemen was vastgesteld. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat de groothandel niet de beschikking had gehad over alle stukken die de basis hadden gelegd voor het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen. Daarom was de groothandel niet in staat geweest om op detailniveau de voorgenomen correcties te bestrijden. Het verdedigingsbeginsel was geschonden en de naheffingsaanslag werd daarom vernietigd.

uitspraak:

Geen onjuiste aangifte na slechts beperkt afgeroomde omzet

In de vorm van een VOF werd een Vietnamees specialiteitenrestaurant geëxploiteerd. Naar aanleiding van een boekenonderzoek werd een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2008 opgelegd. Uit het boekenonderzoek bleek dat de administratie was gemanipuleerd. De fiscus concludeerde dat per dag een omzet van € 555,84 niet was verantwoord. Er werd een omzetcorrectie toegepast van € 182.000. Er werd rekening gehouden met extra inkopen ter grootte van € 58.000. In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat de fiscus slechts had aangetoond dat op 12 dagen de omzet was afgeroomd, en niet dat dit op (bijna) elke dag het geval was geweest. Volgens het hof was de omzet maar voor een bedrag van € 7420,15 te laag aangegeven. Dat kwam neer op een bedrag van € 715,68 aan te weinig geheven inkomstenbelasting. Daarmee was de vereiste aangifte gedaan en volgde er geen omkering van de bewijslast. Omdat de fiscus de voorgestelde correcties niet aannemelijk had kunnen maken, werd de aanslag fors verminderd.

uitspraak:

Onderhoudskosten tuin aftrekbaar

De eigenaar en bewoner van een landgoed had op dat landgoed verschillende monumenten en een park. Het park was een zelfstandig rijksmonument. Het had een oppervlakte van circa 12 hectare. Door familie, vrienden en vrijwilligers werden (onderhouds)werkzaamheden in en aan het park verricht. Deze werkzaamheden omvatten ongeveer 350 tot 400 uren per jaar. Voor de werkzaamheden werd geen vergoeding betaald. De landgoedeigenaar bracht in zijn aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2012 onderhoudskosten voor het park in aftrek. De fiscus accepteerde dat niet. Voor de rechter was vervolgens in geschil in hoeverre de gemaakte onderhoudskosten voor het park als uitgaven voor monumentenpanden waren aan te merken. Hierbij was met name van belang welk deel van de onderhoudskosten als zogenoemde (niet-aftrekbare) huurderslasten aangemerkt moesten worden. Volgens Rechtbank Gelderland waren de huurderslasten te beschouwen als een onderdeel van het redelijkheidscriterium. Omdat de fiscus over de facturen beschikte had die bewijs moeten leveren van de stelling dat in de opgevoerde onderhoudskosten huurderslasten waren begrepen. Omdat de fiscus dat naliet had die volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de opgevoerde onderhoudskosten voor meer dan het door de landgoedeigenaar gestelde bedrag van € 400 per jaar uit huurderslasten bestonden. Het beroep werd gehonoreerd en de onderhoudskosten waren aftrekbaar.

uitspraak:

Geen naheffing BTW bij DGA

Een directeur aandeelhouder (DGA) van een BV vormde met die BV tussen 1 juli 2005 en 30 april 2007 een fiscale eenheid voor de BTW. In 2006/2007 liet de DGA een woning bouwen. Hij gebruikte een deel daarvan voor de werkzaamheden als directeur van de BV. Voor de BTW werd de woning tot het ondernemingsvermogen gerekend. De voor de bouw in rekening gebrachte BTW bracht de fiscale eenheid in aftrek. Vanaf 1 januari 2008 tot eind 2010 stelde de DGA een werkruimte ter beschikking aan de BV. In verband met het einde van de verhuur eind 2010 legde de fiscus naheffingsaanslag BTW op aan de DGA voor een bedrag van € 222.259. Volgens de fiscus was sprake van staking van de verhuur, waardoor de aftrek van de voorbelasting moest worden herzien. In beroep oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de voorbelasting ten onrechte was herzien. De rechtbank wees er daarbij op dat de DGA deze BTW niet in aftrek had gebracht. Dat had de fiscale eenheid namelijk gedaan. Verder verwees de rechtbank naar een arrest van de Hoge Raad uit 2012. Ook daaruit was af te leiden dat herziening niet mogelijk was. De aanslag werd verminderd.

uitspraak:

 

Inkeerregeling eindigt

Op 1 januari 2018 wordt de inkeerregeling afgeschaft. Deze afschaffing wordt opgenomen in het belastingplan 2018. Door de afschaffing van de inkeerregeling zal er vanaf 1 januari 2018 geen termijn meer gelden waarbij volledige boetematiging plaatsvindt. Op dit moment is die termijn twee jaar en bedraagt de boete 120%.

uitspraak: