Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Geen dienstbetrekking voor maaltijdbezorger

Een student was als maaltijdbezorger werkzaam bij een opdrachtgever. Eerst was hij daar in dienstbetrekking werkzaam geweest. Na afloop van het dienstverband kon hij via een zzp-contract voor het bedrijf aan de slag. Dat contract werd ondertekend, maar de student claimde ook dat er nog steeds sprake was van een dienstbetrekking. De rechtbank Amsterdam moest oordelen of er al dan niet sprake was van een dienstbetrekking. Volgens de rechtbank bleek uit de overeenkomst van opdracht en het uit feit dat de bezorger zich bij de Kamer van Koophandel had ingeschreven, dat er niet de intentie was geweest om een dienstbetrekking aan te gaan. Verder ontbrak een gezagsverhouding tussen opdrachtgever en de bezorger. Daarbij was onder andere van belang dat de bezorger, via een app van de opdrachtgever, zelf kon beslissen of hij zich aanmeldde voor werk. Ook kon hij weigeren bestellingen uit te voeren. Daarnaast mocht hij in zijn eigen kleren en met zijn eigen materiaal werken. Voor een concurrent werken was geen probleem. Ook kon hij zich laten vervangen. De rechtbank voegde aan zijn oordeel toe dat wanneer het ongewenst zou worden gevonden dat dergelijke overeenkomsten werden aangeboden, de wetgever daarvoor maatregelen had moeten treffen.

uitspraak:

 

Voortzetting subsidieregeling praktijkleren

Op prinsjesdag zal er duidelijkheid komen over de wijze van voortzetten van de subsidieregeling praktijkleren. Ook komend jaar zal de regeling voortgezet worden. Het doel van de subsidieregeling praktijkleren is het stimuleren van werkgevers om praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen voor aangewezen opleidingen aan te bieden. De subsidie bestaat uit een compensatie voor de loon- of begeleidingskosten die een werkgever maakt. Dat is per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats een bedrag van maximaal € 2.700. Jaarlijks kan een werkgever in de zomermaanden de subsidie praktijkleren aanvragen voor de geboden begeleiding. Voor toepassing van de regeling moet de werknemer een van de aangewezen opleidingen volgen. Verder heeft de werkgever administratieve verplichtingen, zoals het opstellen van een (praktijkleer)overeenkomst en registratie van de aanwezigheid. De RVO voert de regeling uit en controleert of de werkgever aan alle voorwaarden voldoet. Voor het school-, studiejaar dat is geëindigd op 31 juli 2018 kan een aanvraag nog tot uiterlijk 17 september 2018 17.00 uur worden ingediend. De aanvraag moet digitaal bij de RVO worden ingediend.

regeling:

Achtergestelde lening niet onzakelijk

Een BV hield alle aandelen in twee andere BV’s. Eind 2003 verkocht de BV de aandelen in een van de dochtervennootschappen voor € 675.000. Daarbij werd overeengekomen dat de koper de vordering van de verkoper op de verkochte dochtervennootschap van € 356.561 van de verkoper zou overnemen. Die vordering werd omgezet in een achtergestelde lening. In 2013 werd de lening afgewaardeerd tot € 100.000. Volgens de fiscus was er echter geen sprake van een zakelijke lening. In beroep oordeelde Rechtbank Noord-Holland dat de lening wel afgewaardeerd kon worden. Volgens de rechtbank was er namelijk wel sprake van een zakelijke lening. De rechtbank wees er daarbij op dat in 2003 een nieuwe lening tussen de verkoper en koper tot stand was gekomen. Op dat moment moest worden beoordeeld of er sprake was van een zakelijke lening. Deze beoordeling vond niet alleen plaats, zoals de fiscus stelde, op het moment van ontstaan van de rekening-courant-vordering. Verder stelde de rechtbank nog dat de achterstelling onverbrekelijk samenhing met de verkoop van de aandelen.

uitspraak:

BOR van toepassing bij schenking aandelen Vastgoed BV

Moeder schonk aan haar zoon op 31 december 2014 de aandelen in een BV in verband met de bedrijfsopvolging binnen de familie. Deze aandelen vormden een (fictieve) onroerende zaak voor de overdrachtsbelasting. De zoon droeg vervolgens na aangifte € 141.360 aan overdrachtsbelasting af. In geschil met de fiscus was of de bedrijfsopvolgingsregeling van de overdrachtsbelasting (BOR) van toepassing was op een dergelijke verkrijging. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat voor de overdrachtsbelasting de BOR ook van toepassing was bij de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam. De wetsfictie in de overdrachtsbelasting had slechts als doel te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting zou worden ontgaan. Volgens het hof was niet beoogd om een daaraan tegenovergesteld resultaat te bewerkstelligen. De vrijstelling was volgens het hof van toepassing als voldaan zou zijn aan twee voorwaarden: de aandelen werden gehouden in een vennootschap met een materiële onderneming, én de volledige zeggenschap in de onderneming ging over van de ouder op het kind. Omdat daarvan sprake was bestond recht op de vrijstelling. Ook de conclusie van de Advocaat-generaal Wattel (AG) in het cassatieberoep was dat de verkrijging was vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Een verkrijging van fictieve onroerende zaken zou niet ongunstiger worden behandeld dan de verkrijging van de onroerende zaken zelf. De zoon hoefde voor het genieten van de vrijstelling geen IB-onderneming te verkrijgen. Dit volgde uit de wet noch uit de wetgeschiedenis. De A-G heeft de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

uitspraak:

Kluskavel eigen woning voor overdrachtsbelasting

De gemeente Den Haag beschikte over een gebouw dat in het verleden dienst had gedaan als bedrijfs- en kantoorpand. In opdracht van de gemeente was het gebouw getransformeerd in een gebouw met ‘kluskavels’, die een woonfunctie of een bedrijfsfunctie konden krijgen. Een toekomstig bewoner kreeg op 6 oktober 2016 een kluskavel. Tot dat moment had de gemeente het pand intern gestript tot casco en waren er diverse werkzaamheden verricht. Met de fiscus was in geschil is of de kluskavel een woning was voor de overdrachtsbelasting. Rechtbank Den Haag oordeelde van wel. De rechtbank wees er daarbij op dat er een omgevingsvergunning was voor het bouwen van een woning. In hoger beroep was Hof Den Haag het met de rechtbank eens dat er sprake was van een woning. Daarbij was het tarief van 2% van toepassing. Het hof stelde echter vast dat het object ten tijde van de verkrijging ook al een woning was. Volgens het hof hadden de door de gemeente tot aan de verkrijging verrichte verbouwingswerkzaamheden er namelijk toe geleid dat de appartementen in het voormalige kantoorpand woningen waren.

uitspraak: