Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Aftrek van BTW bij vooruitbetaling aankoop zonder uiteindelijke levering

De Duitse belastingdienst weigerde aftrek van BTW die eerder was voldaan inzake gedane vooruitbetalingen voor de levering van warmtekrachtcentrales. Die werden uiteindelijk niet geleverd. Naar aanleiding van aan het Europese Hof van Justitie (HvJ) gestelde vragen heeft die beslist, dat volgens de Europese BTW-richtlijn er ook recht op aftrek van BTW  was over een vooruitbetaling. Dat was het geval wanneer de potentiële koper van de betrokken goederen deze vooruitbetaling deed, die betaling ook door de verkoper werd ontvangen, terwijl ten tijde van die vooruitbetaling mocht worden aangenomen dat die koper bekend was met alle relevante elementen van de toekomstige levering. Daardoor leek de levering van die goederen zeker. Er was geen recht op aftrek wanneer op basis van objectieve gegevens zou vaststaan dat de koper ten tijde van de vooruitbetaling wist of redelijkerwijs moest weten dat die levering onzeker was.

uitspraak:

Lijfrentepremie in mindering voor te betalen premie Zvw?

Een ondernemer behaalde bij het staken van zijn onderneming € 32.196 stakingswinst. Na ondernemingsaftrek en MKB-winstvrijstelling resteerde een belastbare winst van € 18.305. Vervolgens betaalde de ondernemer een (stakings)lijfrentepremie van € 18.500. Die werd voor de inkomstenbelasting in aftrek gebracht. Datzelfde bedrag wilde de ondernemer ook voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) in aftrek brengen. Volgens de fiscus kon dat niet. De ondernemer stelde dat er dan sprake zou zijn van dubbele heffing omdat de uitkeringen straks ook zouden meetellen voor het berekenen van de Zvw-bijdrage. En voor werknemers gold die heffing niet. De rechtbank oordeelde dat de premie niet aftrekbaar was en vond dat er geen sprake was van een schending van de EVRM. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof dat het verdrag wel werd geschonden op het punt van het discriminatieverbod. Zelfstandigen werden volgens het hof nadeliger behandeld dan pensioenopbouwers, zonder dat daarvoor een voldoende concrete en gewichtige (doelmatigheids)reden was die dat zou kunnen rechtvaardigen. De adviseur van de Hoge Raad, de Advocaat Generaal (A-G) was het met de ondernemer eens. Het advies aan de Hoge Raad luidde dan ook dat er geen onoverkomelijke bezwaren waren om de dubbele heffing af te schaffen. Zo niet, dan was nog de vraag of de dubbele heffing die zo zal ontstaan, niet in strijd zou komen met het Europese verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) op het gebied van eigendomsgrondrecht en discriminatie. Uiteindelijk zal de Hoge Raad zich moeten buigen over de vraag of de lijfrentepremie ook in aftrek kon worden gebracht over het inkomen waarover de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zou worden berekend.

uitspraak:

Boekwinst winkelpand doorgeschoven naar vervangende vakantiestudio’s

Een VOF die een kledingzaak exploiteerde stopte in 2012 met al haar activiteiten. Het winkelpand, dat onderdeel uitmaakte van het vermogen van de VOF was in het jaar daarvoor, op 25 mei 2011, met boekwinst, verkocht. Op 1 augustus 2011 kocht een van de vennoten van de VOF een pand waarin vakantiestudio’s worden gerealiseerd. Die waren bestemd voor kortdurende verhuur. Voor de verhuur maakte de vennoot gebruik van bemiddelingsbureaus. Volgens de fiscus vormde de exploitatie van de studio’s geen (nieuwe) onderneming voor de vennoot. Er was sprake van normaal vermogensbeheer. De wettelijke doorschuiffaciliteit (‘HIR bij staking’) kon daarom volgens de fiscus niet worden toegepast op de met de verkoop van het winkelpand behaalde boekwinst. In hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam dat de exploitatie van de vakantiestudio’s wél als een onderneming moest worden aangemerkt. Hoewel de ingeschakelde bemiddelingsbureaus tevens werkzaamheden uitvoerden met betrekking tot de studio’s, gold dat de zelf al vanaf aanvang van de exploitatie verrichte werkzaamheden door de aard en omvang daarvan, normaal vermogensbeheer te boven gingen. De wettelijke doorschuiffaciliteit kon daardoor wel toegepast worden.

uitspraak:

Naheffing BTW voor privégebruik niet mogelijk

In 2003 werden een kantoor met een loods aangeschaft. Op verzoek van de koper werd de levering belast met BTW. Na de aankoop werd een deel van het gebouw in gebruik genomen voor bedrijfsdoeleinden. Het andere deel van het gebouw werd verbouwd tot woning. In 2013 vond een boekenonderzoek plaats. Daaruit volgden naheffingsaanslagen BTW voor de koper/eigenaar van het vastgoed. Volgens de fiscus was er BTW verschuldigd in verband met het privégebruik van de woning. Voor de rechter stelde de koper dat het woongedeelte een aparte onroerende zaak was. Daarvoor kon niet worden geopteerd voor belaste levering. In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat er sprake was van twee aparte onroerende zaken. Het hof merkte hierbij onder andere op dat tussen het gedeelte dat nu als woning in gebruik was en het gedeelte dat als bedrijfsruimte werd gebruikt al sinds de oprichting een betonnen muur stond. Vervolgens oordeelde het hof dat een investeringsgoed dat uitsluitend privé werd gebruikt niet tot het bedrijfsvermogen kon worden gerekend. Het privégebruik van de woning kon dan ook niet gelijk worden gesteld met een voor de BTW belaste dienst. Er was daardoor geen BTW verschuldigd wegens het privégebruik van de woning. De naheffingsaanslagen kwamen te vervallen.

uitspraak:

Terbeschikkingstelling vanaf economische eigendomsoverdracht beëindigd

Een aandeelhouder van een BV verhuurde een pand aan de onderneming van de dochtervennootschap van die BV.  In april 2010 sprak de aandeelhouder met zijn dochter af dat die de onderneming zou overnemen. In december 2010 stelden ze de overnameovereenkomst op. Daarbij werd de onderneming verkocht. Op 31 januari 2011 werd de akte van aandelenoverdracht getekend en werden de aandelen in de dochtervennootschap verkocht. De fiscus was onder meer van mening dat de terbeschikkingstellingsregeling als gevolg van de verhuur van het pand pas was beëindigd in 2011 omdat in december 2010 weliswaar het belang in de onderneming  was overgedragen, maar er toen nog geen overeenkomst tot stand was gekomen. De rechtbank was het daarmee eens. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter in hoger beroep dat de terbeschikkingstelling van het pand in 2010 was geëindigd. Volgens het hof was het namelijk aannemelijk dat de economische eigendom van de aandelen al op 22 december 2010 bij de koper was komen te rusten. De akte van 22 december 2010, waarbij de onderneming door de BV was overgedragen, was mede door de koper ondertekend. Daarmee was in de periode tussen 10 december 2010 en 22 december 2010 een eind gekomen aan de terbeschikkingstelling van het pand.

uitspraak: