Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Boekwinst winkelpand doorgeschoven naar vervangende vakantiestudio’s

Een VOF die een kledingzaak exploiteerde stopte in 2012 met al haar activiteiten. Het winkelpand, dat onderdeel uitmaakte van het vermogen van de VOF was in het jaar daarvoor, op 25 mei 2011, met boekwinst, verkocht. Op 1 augustus 2011 kocht een van de vennoten van de VOF een pand waarin vakantiestudio’s worden gerealiseerd. Die waren bestemd voor kortdurende verhuur. Voor de verhuur maakte de vennoot gebruik van bemiddelingsbureaus. Volgens de fiscus vormde de exploitatie van de studio’s geen (nieuwe) onderneming voor de vennoot. Er was sprake van normaal vermogensbeheer. De wettelijke doorschuiffaciliteit (‘HIR bij staking’) kon daarom volgens de fiscus niet worden toegepast op de met de verkoop van het winkelpand behaalde boekwinst. In hoger beroep oordeelde Hof Amsterdam dat de exploitatie van de vakantiestudio’s wél als een onderneming moest worden aangemerkt. Hoewel de ingeschakelde bemiddelingsbureaus tevens werkzaamheden uitvoerden met betrekking tot de studio’s, gold dat de zelf al vanaf aanvang van de exploitatie verrichte werkzaamheden door de aard en omvang daarvan, normaal vermogensbeheer te boven gingen. De wettelijke doorschuiffaciliteit kon daardoor wel toegepast worden.

uitspraak:

Naheffing BTW voor privégebruik niet mogelijk

In 2003 werden een kantoor met een loods aangeschaft. Op verzoek van de koper werd de levering belast met BTW. Na de aankoop werd een deel van het gebouw in gebruik genomen voor bedrijfsdoeleinden. Het andere deel van het gebouw werd verbouwd tot woning. In 2013 vond een boekenonderzoek plaats. Daaruit volgden naheffingsaanslagen BTW voor de koper/eigenaar van het vastgoed. Volgens de fiscus was er BTW verschuldigd in verband met het privégebruik van de woning. Voor de rechter stelde de koper dat het woongedeelte een aparte onroerende zaak was. Daarvoor kon niet worden geopteerd voor belaste levering. In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat er sprake was van twee aparte onroerende zaken. Het hof merkte hierbij onder andere op dat tussen het gedeelte dat nu als woning in gebruik was en het gedeelte dat als bedrijfsruimte werd gebruikt al sinds de oprichting een betonnen muur stond. Vervolgens oordeelde het hof dat een investeringsgoed dat uitsluitend privé werd gebruikt niet tot het bedrijfsvermogen kon worden gerekend. Het privégebruik van de woning kon dan ook niet gelijk worden gesteld met een voor de BTW belaste dienst. Er was daardoor geen BTW verschuldigd wegens het privégebruik van de woning. De naheffingsaanslagen kwamen te vervallen.

uitspraak:

Terbeschikkingstelling vanaf economische eigendomsoverdracht beëindigd

Een aandeelhouder van een BV verhuurde een pand aan de onderneming van de dochtervennootschap van die BV.  In april 2010 sprak de aandeelhouder met zijn dochter af dat die de onderneming zou overnemen. In december 2010 stelden ze de overnameovereenkomst op. Daarbij werd de onderneming verkocht. Op 31 januari 2011 werd de akte van aandelenoverdracht getekend en werden de aandelen in de dochtervennootschap verkocht. De fiscus was onder meer van mening dat de terbeschikkingstellingsregeling als gevolg van de verhuur van het pand pas was beëindigd in 2011 omdat in december 2010 weliswaar het belang in de onderneming  was overgedragen, maar er toen nog geen overeenkomst tot stand was gekomen. De rechtbank was het daarmee eens. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter in hoger beroep dat de terbeschikkingstelling van het pand in 2010 was geëindigd. Volgens het hof was het namelijk aannemelijk dat de economische eigendom van de aandelen al op 22 december 2010 bij de koper was komen te rusten. De akte van 22 december 2010, waarbij de onderneming door de BV was overgedragen, was mede door de koper ondertekend. Daarmee was in de periode tussen 10 december 2010 en 22 december 2010 een eind gekomen aan de terbeschikkingstelling van het pand.

uitspraak:

Geen renteaftrekbeperking binnen internationale fiscale eenheid

Bij twee zaken voor het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) stond de vraag centraal of Nederland bepaalde specifieke voordelen van het fiscale eenheidsregime mocht weigeren. Dit vanwege het feit dat een belastingplichtige door een grensoverschrijdende situatie geen fiscale eenheid kon aangaan met een buitenlandse dochtervennootschap. In de zaak over de niet-aftrekbaarheid van een valutaverlies op een Engelse deelneming oordeelde het HvJ EU dat Nederland de aftrek van een valutaverlies in een grensoverschrijdende situatie mocht weigeren. Het oordeel in de zaak over het niet toestaan van renteaftrek door werking van de renteaftrekbeperking van artikel 10a van de Wet Vpb pakte echter voor Nederland negatief uit. Nederland handelde in strijd met de vrijheid van vestiging en moest van het HvJ EU, ondanks de ‘besmette rechtshandeling’, alsnog renteaftrek toestaan.
Reparatiewetgeving wordt ingevoerd.

Van misdaad afkomstig bewijs mocht belastingdienst niet gebruiken

Het Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigde opgelegde navorderingsaanslagen. Dit omdat de fiscus op onrechtmatige wijze had geweigerd de naam van de tipgever bekend te maken. De Hoge Raad oordeelde dat het niet bekend maken van de naam van de tipgever onvoldoende aanleiding was om de aanslagen in deze zaak te vernietigen en verwees de zaak naar Hof ‘s-Hertogenbosch. Die besliste recent dat het bewijsmateriaal dat de belastingdienst van de tipgever had gekocht, in dit geval niet mocht worden gebruikt voor de aanslagoplegging. De tipgever had een misdrijf gepleegd bij het verkrijgen van het bewijsmateriaal. De belastingdienst had dus betaald voor bewijsmateriaal dat uit een misdrijf afkomstig was. Dat had niet altijd tot gevolg dat het bewijsmateriaal van gebruik zou worden uitgesloten, maar hing af van een beoordeling van de gemaakte belangenafweging. Aan de ene kant was er dan het belang van juiste belastingheffing en het bestrijden van belastingontwijking; aan de andere kant mocht crimineel gedrag niet worden beloond. De belastingdienst moest de rechter inzicht geven in de gemaakte belangenafweging. Dat was hier niet voldoende gedaan. Zo was geen inzicht gegeven in de beloningsafspraak die met de tipgever was gemaakt, terwijl volgens de eerdere uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank die informatie wel volledig prijsgegeven had moeten worden. Daarom moest hier worden geoordeeld dat de belangenafweging zodanig was tekortgeschoten dat was voldaan aan het ‘zozeer-indruist’-criterium. Daardoor mocht het bewijsmateriaal in deze zaak niet worden gebruikt. De opgelegde aanslagen werden vernietigd.

uitspraak: