Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Nieuwsbrief februari 2009

ONBELASTE VERGOEDING KOSTEN HUWELIJKSFEEST VOOR ZAKELIJKE RELATIES
Een werknemer was in dienst van een BV en bezat daarin tevens 1/3e deel van de aandelen. Hij was de beoogd opvolger van zijn vader. Vader was bestuurder van de BV en had de overige aandelen in bezit. Op 10 juni 2004 trad de werknemer/zoon in het huwelijk. Voor het huwelijksfeest waren 145 personen uitgenodigd, waaronder 61 zakelijke relaties van de BV. Dit vanwege de beoogde bedrijfsopvolging. De BV had de kosten van het huwelijksfeest betaald welke gerelateerd waren aan de zakelijke relaties. De fiscus vond dat sprake was van belastbaar loon van de zoon/werknemer. De rechtbank Arnhem besliste uiteindelijk dat de kosten van de zakelijke relaties primair verband hielden met de dienstbetrekking van zijn toekomstige positie als directeur van de BV. In zijn algemeenheid is een huwelijk een gebeurtenis van persoonlijke aard zodat met de daaraan verbonden kosten geen zakelijk belang werd gediend. In dit geval waren er echter bijzondere omstandigheden (bedrijfsopvolging) die afwijking van deze hoofdregel rechtvaardigden. De vergoeding was onbelast. De naheffingsaanslag werd verminderd tot nihil.

PENSIOENTOEZEGGING OOK OVER VOORPERIODE
Een BV werd opgericht op 30-11-2001. De resultaten van de in de BV ingebrachte onderneming werden vanaf 1 januari 1996 aan de BV toegerekend. Aan de directeur aandeelhouder (DGA) werd op de oprichtingsdatum, 30-11-2001, een pensioen toegekend. Voor het bepalen van de voorziening werd rekening gehouden met een diensttijd die begon op 1-1-1996. Daarover ontstond een geschil met de fiscus. Het Hof Den Bosch was uiteindelijk van oordeel dat, ook gezien de overgelegde commerciële jaarrekeningen, het de bedoeling was om de DGA ook over de voorperiode een pensioen op te laten bouwen. Dat de pensioentoezegging niet voldeed aan de voor de heffing van de loonbelasting geldende voorschriften was voor de vennootschapsbelasting geen probleem. Ook tot het loon van de werknemer te rekenen aanspraken zouden namelijk bij het bepalen van de winst in aftrek mogen komen. Verder was er geen sprake van een winstuitdeling.

DOOR SCHILDERSBEDRIJF VERSTREKTE KLEDING WAS GEEN WERKKLEDING
Een schildersbedrijf verstrekte kleding aan haar werknemers. Deze kleding raakte na de eerste verstrekking aan een werknemer snel besmeurd met verf en was daarna niet goed van de verfvlekken te ontdoen. In een procedure was de vraag of de verstrekte kleding onder deze�omstandigheden werkkleding kon vormen. De Hoge Raad besliste uiteindelijk van niet. Uit de tekst van de wet of de wetsgeschiedenis was niet af te leiden dat kleding, die op zichzelf buiten het kader van de vervulling van de dienstbetrekking kon worden gedragen als werkkleding kon worden aangemerkt op de enkele grond dat die kleding door de werkzaamheden was vervuild of vervuild raakte en niet meer goed van deze vervuiling was te ontdoen.

BIJ STAKING ALSNOG OVERDRACHTSBELASTING ONDANKS WIL TOT VOORTZETTING TEN TIJDE VAN INBRENG
Een BV werd opgericht op 30-3-2000. Daarbij werden alle activa en passiva van een pluimveehouderij ingebracht, waaronder een woning. Voor de inbreng van de onroerende zaken was een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting (artikel 15,1,e WBR). Later dat jaar werd het pluimveebedrijf gestaakt. Daardoor werd niet meer voldaan aan de ‘voortzettingseis’ van drie jaar voor de overdrachtsbelasting. De inspecteur had daarom volgens het Hof Den Bosch terecht die belasting nageheven. Het was niet van belang dat het de bedoeling was om het ingebrachte bedrijf later nog voort te zetten op een andere locatie.

DOOR ONTBREKEN KASADMINISTRATIE WERD ADMINISTRATIE VERWORPEN
Een BV exploiteerde in 2001 en 2002 een uitzendbureau. Het productiepersoneel werd per kas uitbetaald. Na boekenonderzoek bleek dat de BV geen loon- en financiële administratie, maar ook geen kasadministratie bijhield. De BV kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd met toepassing van het anoniementarief en een boete. In beroep oordeelde de rechtbank Den Haag dat een kasadministratie een wezenlijk onderdeel van de administratie vormde. Dit gelet op de contante uitbetaling van personeel. De BV had niet aan haar administratieplicht voldaan. Ze had bovendien zowel in absoluut als in relatief opzicht tot een aanzienlijk te laag bedrag aangifte gedaan. De omkering van de bewijslast was terecht. De BV slaagde er vervolgens niet in te bewijzen dat de naheffingsaanslag onjuist was.

GEKOCHTE GROND TERECHT GEREKEND TOT PRIVÉVERMOGEN DGA
Een DGA hield aandelen in twee BV’s. De BV’s exploiteerden een garage en een tankstation. Tevens exploiteerde de DGA in de vorm van een eenmanszaak een taxionderneming. Over de exploitatie van de ondernemingen kwamen klachten binnen bij de gemeente. Om die reden kwamen de gemeente en de DGA overeen dat de onderneming verplaatst zou gaan worden. In 1994 kocht de DGA daartoe een stuk grond met een agrarische bestemming. Na veelvuldig overleg werd uiteindelijk de bestemming daarvan gewijzigd in industrieterrein. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legde de fiscus een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1998 op aan de DGA. De fiscus stelde dat een deel van het perceel in gebruik was genomen voor de bouw van een privéwoning. Daarbij was winst gerealiseerd, omdat de grond tot het verplicht ondernemingsvermogen behoorde. Uiteindelijk beslisten rechtbank en Hof Arnhem dat de grond niet tot het verplicht ondernemingsvermogen van de DGA behoorde. Ook kon er ten aanzien van de grond dan geen sprake zijn van een onttrekking aan het vermogen van de BV’s. In 1998 was evenmin een tijdstip aan te wijzen waarop de door de fiscus gestelde andere inkomsten uit arbeid genoten zouden zijn.

BEDRIJFSPANDEN OP HET VERKRIJGINGSTIJDSTIP DIRECT TBS-VERMOGEN
Een DGA bezat alle aandelen in een holding met twee werkmaatschappijen. De DGA kocht op 7-1-2003 een bedrijfspand. De notariële akte werd getekend op 26-2-2003 en het pand werd aan een Werk-BV verhuurd vanaf 1-3-2003. Bij notariële akte nam de DGA op 27-9-2004 een ander bedrijfspand over van zijn vader. De vader verhuurde dit pand sinds 1 mei 1999 aan de holding en de werkvennootschappen tezamen. Vanaf 1 oktober 2004 verhuurde de DGA dit bedrijfspand aan een Werk-BV. Volgens de fiscus was de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 pas van toepassing vanaf het moment dat de daadwerkelijke verhuur van de bedrijfspanden was aangevangen. Daarvóór behoorden de bedrijfspanden tot de rendementsgrondslag van box 3. Na beroep besliste de rechter echter dat de terbeschikkingstellingsregeling al van toepassing was op het moment dat de juridische eigendom van de bedrijfspanden was verkregen. De bedrijfspanden konden op de TBS-werkzaamheidsbalans worden geactiveerd tegen de aanschaffingskosten, inclusief de overdrachtskosten.

KWADE TROUW GEMACHTIGDE BIJ NAVORDERING WEL TOEGEREKEND AAN KLANT
Een DGA had zijn eenmanszaak per 1 januari 1998 geruisloos omgezet in een BV. De DGA werd daarbij begeleid door een belastingadviseur. De gemachtigde van de BV, die de Vpb-aangiften verzorgde, had één en ander waarschijnlijk niet goed begrepen. Onder meer werd de winst over 1998 niet aangegeven en ook werd er afgeschreven op goodwill. Bij toeval kwamen die fouten pas later aan het licht. Er werd over 1999 een navorderingsaanslag opgelegd, verhoogd met een boete van 50%. Hof Amsterdam oordeelde dat de BV niet zelf te kwader trouw was en niet hoefde te twijfelen aan de deskundigheid van de gemachtigde. Ook trof haar geen verwijt bij het maken bij de keuze van de gemachtigde. De aanslag en de boetebeschikking werden daarom vernietigd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof ten onrechte in het midden had gelaten of de gemachtigde te kwader trouw was ter zake van de indiening van de aangifte. Wanneer de gemachtigde te kwader trouw was, had dit toegerekend moeten worden aan de BV. De zaak is daarvoor verwezen naar Hof Den Haag.

 

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.

Nieuwsbrief januari 2009

OP SUPPLETIE (AMBTSHALVE) TERUGGEGEVEN OMZETBELASTING KAN NIET MEER WORDEN NAGEHEVEN
Een VOF had over het eerste en tweede kwartaal van 2005 omzetbelasting aangegeven en afgedragen. In september 2005 diende de VOF gecorrigeerde aangiften in voor die kwartalen. De inspecteur merkte deze aangiften aan als verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting. Er werden ambtshalve teruggaven verleend tot een totaalbedrag van € 13.151. Naar aanleiding van een boekenonderzoek kwam de fiscus daar echter weer op terug. Het teruggegeven bedrag werd via een naheffingsaanslag omzetbelasting nageheven. Hof ‘s-Gravenhage bevestigde in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank. Die had beslist dat de naheffingsaanslag moest worden verminderd tot nihil. Ook de Hoge Raad was het daarmee eens. Ambtshalve teruggegeven omzetbelasting kan niet worden nageheven. In dit geval was geen sprake van teruggaven die waren verleend naar aanleiding van op de belastingwet gebaseerde verzoeken. Ook was geen naheffing mogelijk omdat de naheffingsaanslag er niet toe strekte na te heffen wat, rekening houdend met de teruggaaf, aan omzetbelasting onbetaald was gebleven.

ONTERECHT TE VERREKENEN VERLIES VAN RUIM € 1,2 MILJOEN DOOR FOUT BELASTINGDIENST
In een aangifte IB/PVV 2001 was abusievelijk € 1.327.919 in plaats van € 13.279,19 in aftrek gebracht als eigenwoningrente. De fiscus legde de aanslag op conform de ingediende aangifte. Het verlies werd bij beschikking vastgesteld op € 1.294.649. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd, maar werd vergeten om het vastgestelde verlies in het systeem aan te passen. Dit verlies werd daarna verrekend en leidde tot nihilaanslagen over de jaren 2002 t/m 2004. In geschil was of de inspecteur deze verliesverrekening via navordering ongedaan kon maken. Rechtbank Arnhem oordeelt dat dit niet kon. De belastingdienst was vergeten het vastgestelde verlies van € 1.294.649 uit het systeem te verwijderen. Er was volgens de rechtbank sprake van een onjuiste gegevensverwerking. Fouten als deze vloeiden voort uit een bepaalde werkwijze waarvoor binnen de belastingdienst was gekozen. Die bleven dan ook voor rekening van de belastingdienst. Er was geen sprake van een verschil tussen wat de inspecteur wilde en wat in het aanslagbiljet was vastgesteld. De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslagen.

GEEN NAVORDERING OMDAT FISCUS ZELFSTANDIGENAFTREK EERDER HAD MOETEN ONDERZOEKEN
Een ondernemer claimde in zijn aangifte IB/PVV 2001 ten onrechte zelfstandigenaftrek. Nadat de fiscus die fout ontdekte werd een navorderingsaanslag opgelegd. In geschil was of sprake was van een nieuw feit. Het Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelde dat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan (geen nieuw feit) door bij het opleggen van de primitieve aanslag geen onderzoek te doen naar de zelfstandigenaftrek. De inspecteur wist of kon weten dat de ondernemer onder de per 1 januari 2001 van de zelfstandigenaftrek uitgesloten categorie viel van de ongebruikelijke samenwerkingsverbanden. De navorderingsaanslag verviel.

ONDERHANDS SCHULDIG ERKENDE BEDRAGEN MOGEN IN MINDERING WORDEN GEBRACHT OP NALATENSCHAP
Een moeder schonk in de jaren 1996-2005 bedragen aan haar dochter en zoon. Moeder bleef de bedragen schuldig. Voor de schenkingen werden slechts onderhandse akten opgemaakt, welke alleen door moeder ondertekend werden. Moeder betaalde wel rente over de schuldig erkende bedragen en loste tot haar overlijden bedragen van in totaal € 239.074 af op een in totaal schuldig erkend bedrag van € 349.378. Ze overleed op 30 juni 2005. Het bedrag dat ze op dat moment nog schuldig was aan haar kinderen werd in mindering gebracht op de nalatenschap. Volgens de fiscus was er sprake van een rechtsgeldige schenking gedaan na overlijden. De aftrek werd niet geaccepteerd. Rechtbank Breda besliste echter dat de schuldigerkenningen geen schenkingen terzake van overlijden waren. De rechtbank overwoog hierbij dat moeder met ‘de warme hand’ (tijdens haar leven) had willen schenken en dat de kinderen door de schuldigerkenningen ook gebruik konden maken van de geschonken bedragen zoals het hen uitkwam. Dit bleek volgens de rechtbank ook uit de feitelijke gang van zaken nu ongeveer 2/3e deel van de schuldig erkende bedragen tijdens het leven van moeder waren afgelost. Volgens de rechtbank was door de aflossingen ook duidelijk dat het niet de bedoeling van partijen was dat de bedragen pas na het overlijden opeisbaar zouden zijn. De aanslag werd verminderd.

SLECHTS BESPARINGSWAARDE BELAST VOOR VOORDEEL VAN GEBRUIK MOBIELE TELEFOON VAN DE ZAAK
Een BV stelde mobiele telefoons ter beschikking aan een aantal personeelsleden. Zij mochten de telefoons ook gebruiken voor privégesprekken. De fiscus was van mening dat het ter beschikking stellen van de mobiele telefoons als loon moest worden aangemerkt en legde een naheffingsaanslag op. De Rechtbank Breda besliste dat er inderdaad sprake was van loon. Voor de vaststelling van de omvang van het voordeel moest van de besparingswaarde worden uitgegaan. De fiscus stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en was van mening dat van de werkelijke waarde van het privégebruik (gespreks- en abonnementskosten) moest worden uitgegaan. Ook in hoger beroep besliste het Hof ‘s-Hertogenbosch echter dat voor de mobiele telefoons de besparingswaarde in aanmerking moest worden genomen. De waardering van het voordeel voor de jaren 1999-2001 door de inspecteur was onjuist. De waarderingsregel die de fiscus hanteerde gold alleen voor de vaste telefoon in de woning van de werknemer. Voor 2002 en 2003 gold de waarderingsregel weliswaar ook voor mobiele telefoons, maar alleen voor verstrekte telefoons. De telefoons die de BV ter beschikking stelde, bleven eigendom van de BV.

GEEN ONGEBRUIKELIJK SAMENWERKINGSVERBAND TUSSEN ECHTGENOTEN
Man en vrouw dreven samen in firmaverband een onderneming. De activiteiten van de onderneming bestonden uit de verkoop, de opbouw en het onderhoud van hydraulicasystemen in vrachtauto’s. Er waren tien personeelsleden in dienst, werkzaam in twee filialen en de omzet was ongeveer € 2.000.000. De fiscus weigerde de zelfstandigenaftrek bij de vrouw, omdat sprake zou zijn van werkzaamheden van hoofdzakelijk ondersteunende aard en van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. De Rechtbank en het Hof Arnhem vonden dat er geen sprake was van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Het hof achtte namelijk aannemelijk dat de overeengekomen taakverdeling tussen de vennoten (vrouw: administratie, personeels- en financiële beleid; de man: verkoop en techniek) ook voorkwam bij samenwerkingsverbanden tussen niet-verbonden personen.

LAGERE BOETE VOOR AUTOHANDELAAR DOOR KLANTONVRIENDELIJKE INSPECTEUR

Een BV exploiteerde een autobedrijf. Op 17 oktober 2004 werden 12 auto’s enige tijd buiten de showroom geplaatst, om een andere auto naar buiten te kunnen rijden. Omdat de auto’s niet waren voorzien van een handelaarskenteken legde de inspecteur 12 naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting op met telkens 100% boete. Het Hof Den Haag besliste dat de BV niet had voldaan aan de voorwaarden van de handelaarsregeling en dat de MRB-naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd. Ten aanzien van de boeten besliste de rechter dat ze niet in een goede verhouding stonden tot de ernst van de feiten waarvoor de boeten waren opgelegd. Het hof wees er op dat de fiscus vrijwel niets had gedaan om het herhaaldelijk opleggen van naheffingsaanslagen te voorkomen. De inspecteur had de BV er volgens het hof op kunnen wijzen dat zij meer handelaarskentekens diende aan te vragen en de inspecteur had behulpzaam kunnen zijn bij het verkrijgen van de benodigde handelaarskentekens. Het hof achtte hierbij ook van belang dat de BV steeds had beweerd dat de RDW weigerde om meer handelaarskentekens af te geven. Dit terwijl het volgens de inspecteur wel mogelijk was om onbeperkt handelaarskentekens te verkrijgen.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.

Nieuwsbrief december 2008

GEEN BTW PRIVÉ GEBRUIK AUTO MEER BIJTELLEN?

Een holdingvennootschap had in een bepaalde periode 34 personenauto’s gekocht. De BV had de bij aanschaf aan haar in rekening gebrachte BTW in aftrek gebracht. De BV hield de auto’s telkens voor een beperkte periode aan en verkocht deze na verloop daarvan. Daarbij voldeed ze weer de BTW op aangifte. De fiscus had voor 30 van de 34 auto’s de BTW-aftrek gecorrigeerd en legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Hof Amsterdam oordeelde dat de BV de auto’s voor zakelijke doeleinden had gebruikt. Het was dan mogelijk om de auto’s te behandelen als goederen van de onderneming. Vervolgens besliste het hof dat de auto’s mede voor privédoeleinden van de bij de BV in loondienst werkzame directeur waren gebruikt en dat daarom de aftrek beperkt was op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). Het hof handhaafde de naheffingsaanslag. De BV ging vervolgens naar de Hoge Raad en die heeft recent beslist tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het betreft onder andere vragen in het kader van de verenigbaarheid van het BUA met de Zesde richtlijn voor wat betreft het privégebruik van ondernemingsgoederen (auto’s) door personeel.

Op basis van deze vragen ligt het voor de hand dat het BUA door de Europese rechter onverbindend verklaard wordt. Het is raadzaam om tegen de laatste BTW-aangifte over 2008, waarin o.a. dit privé gebruik aangegeven wordt, bezwaar te maken en te verwijzen naar deze lopende procedure. Houd ook onze nieuwsberichten hierover in de gaten.

MAATREGELEN CRISIS: WILLEKEURIGE AFSCHRIJVING EN LAAG VPB-TARIEF
In de najaarsnota 2008 zijn maatregelen genoemd die de economie moeten ondersteunen in de kredietcrisis. Via een ministeriele regeling zal een tijdelijke mogelijkheid van willekeurige of vervroegde afschrijving mogelijk worden gemaakt. Bedrijven kunnen door de maatregel investeringen die tussen 1 januari 2009 en 31 december 2009 plaatsvinden in twee jaar afschrijven, dus maximaal 50% in 2009 en 50% in 2010. De willekeurige of vervroegde afschrijving 2009 is van toepassing voor zowel VPB- als IB-ondernemers en geldt voor alle bedrijfsmiddelen met uitzondering o.a. van woningen, bedrijfsgebouwen, personenauto’s en immateriële vaste activa. De Staatssecretaris van Financiën beziet nog of de maatregel ook kan worden toegepast op zeer zuinige personenauto’s en of er aanvullende voorwaarden nodig zijn om onbedoeld gebruik te voorkomen. Verder zal het MKB-tarief van de tweede schijf in de vennootschapsbelasting worden verlaagd van 23% tot 20% voor de jaren 2009 en 2010. Dit tarief geldt tot een bedrag van € 200.000.

VERDWENEN AANGIFTE IN COMPUTERSYSTEEM VORMDE AMBTELIJK VERZUIM
Een BV deed voor het jaar 2004 aangifte vennootschapsbelasting. Het ingevulde eerste verlengde boekjaar week echter af van het verkorte boekjaar op het aangiftebiljet. Als gevolg hiervan bleef de aangifte in het systeem ‘hangen’. Omdat de fiscus in de veronderstelling was dat de aangifte niet was ingediend, werd een ambtshalve aanslag opgelegd, echter naar een bedrag dat lager was dan vermeld was in de aangifte. De inspecteur ontdekte dat al een aangifte was ingediend en legde een navorderingsaanslag op naar het aangegeven bedrag. Rechtbank Breda oordeelde dat sprake was van een ambtelijk verzuim. De ontstane fout was het gevolg van een onjuiste verwerking van de aangifte door de fiscus. Dat de aangifte elektronisch ingediend moest worden, kon de BV niet worden tegengeworpen, evenmin als de omstandigheid dat het onjuiste boekjaar was ingevuld. Ook de stelling dat sprake was van kwade trouw werd door de rechtbank verworpen. De fiscus motiveerde daarvoor namelijk onvoldoende de stelling, dat sprake was van een voorzienbaar en aanmerkelijk gevaar van een onjuiste beoordeling van de aangifte door de fiscus.

INVOERING WETSVOORSTEL PERSONENVENNOOTSCHAPPEN EN VIERDE TRANCHE AWB UITGESTELD
De Eerste Kamer wenst het wetsvoorstel ‘Personenvennootschappen’ (het wetsvoorstel over de openbare vennootschappen) gelijktijdig te behandelen met de daarbij behorende Invoeringswet. Die moet nog in de Tweede Kamer worden behandeld. Hetzelfde geldt voor de ‘Vierde tranche AWB’ (het wetsvoorstel waardoor ook aan adviseurs een boete opgelegd kan worden). De invoeringsdatum is onduidelijk; waarschijnlijk is dat niet voor 1 juli 2009.

TUINAANPASSING VORMDE HULPMIDDEL
Een vrouw kon na een operatie aan haar knie niet meer hurken en niet meer op haar knieën zitten. Op medisch advies had zij haar tuin laten aanpassen. De kosten hiervan waren door de fiscus en vervolgens ook door de Rechtbank Arnhem niet in aftrek toegelaten, omdat geen sprake was van een hulpmiddel. In hoger beroep oordeelde het hof dat de aangebrachte aanpassing van de tuin van haar woning een hulpmiddel was. Hiermee is de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit terrein achterhaald. De kosten konden als buitengewone uitgaven in aftrek worden gebracht.

BOEKHOUDER MOCHT WONING MET KLEINE WERKKAMER NIET TOT ONDERNEMINGSVERMOGEN REKENEN
Een ondernemer maakte deel uit van een samenwerkingsverband dat een administratiekantoor uitoefende. In zijn nieuwe woning beschikte hij over een onzelfstandige werkruimte. Deze gebruikte hij voor zijn onderneming. Ook elders beschikte hij over werkruimte. Rechtbank Breda oordeelde dat de ondernemer zijn woning niet tot het ondernemingsvermogen kon rekenen. De woning was niet splitsbaar en werd zowel voor privé- als voor ondernemingsdoeleinden gebruikt. Als hoofdregel is er dan weliswaar sprake van keuzevermogen: de ondernemer kan dan het pand als privévermogen of als ondernemingsvermogen aanmerken; nu was echter het privé-gedeelte zodanig overheersend ten opzichte van het ondernemingsgedeelte dat de grenzen van de redelijkheid overschreden waren door het pand tot het ondernemingsvermogen te rekenen. De oppervlakte van de werkruimte was slechts 9% van de totale woonoppervlakte. De inhoud van de werkruimte bedroeg slechts 7% van de totale woninginhoud. Daarbij kwam ook nog dat het gebruik van de werkkamer alleen een aanvullende functie voor de beroepsuitoefening had.

LUNCHKOSTEN BELASTINGVRIJ VERGOED VIA VASTE VERGOEDING 
Een onderneming verstrekte (onbelaste) vaste kostenvergoedingen aan haar directeuren en aan technisch personeel. De fiscus had een deel hiervan als bovenmatig aangemerkt en tot het belastbare loon gerekend. Hof Den Bosch oordeelde dat de lunchkosten van twee directeuren niet in aanmerking kwamen om onderdeel uit te maken van een onbelaste vaste kostenvergoeding omdat geen sprake was van relatief lage, regelmatige kostenbedragen. Dit oordeel was volgens de Hoge Raad onjuist. Als hoofdregel konden ook variabele, niet-regelmatige kosten, maar die wel konden worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon, voor een vaste vergoeding in aanmerking komen. In de verwijzingsprocedure bij Hof Arnhem stemde de fiscus er alsnog mee in dat de vergoedingen voor bedoelde lunchkosten belastingvrij waren.

GEEN LIJFRENTEAFTREK BIJ EIGEN BV NA VOORGENOMEN STAKING ONDERNEMING IN NEDERLAND
Een landbouwbedrijf in de vorm van een manvrouw maatschap werd te koop aangeboden. Doel was om een landbouwbedrijf in Duitsland op te zetten, omdat in Nederland geen ruimte was voor uitbreiding. Er werd een BV opgericht die als vennoot deelnam in de maatschap. Bij de BV bedongen de man en de vrouw een lijfrente tegen overdracht van de onderneming aan de BV. De inspecteur weigerde de lijfrentepremieaftrek, omdat de BV volgens de inspecteur feitelijk de onderneming niet voortzette. Uiteindelijk oordeelde de rechter dat het bedingen van een lijfrente bij de BV die de onderneming overneemt, niet kan leiden tot premieaftrek als al vaststaat dat de BV de onderneming zal overdragen. Hier stond vast dat het bedrijf verplaatst zou worden naar Duitsland, nu onder andere de verkoop van de onderneming in Nederland al in gang was gezet. De volledige landbouwonderneming in Nederland was gestaakt. Het weigeren van de lijfrentepremieaftrek was terecht.

WELK PERCENTAGE VAN DE KAVEL BEHOORT TOT HET WOONDEEL?
Een onderneming was gebruiker van een verzorgingshuis met aanleunwoningen . Niet in geschil was dat 42,2% van het object in hoofdzaak tot woning diende en 57,8% niet in hoofdzaak tot woning diende. In geschil was de voor 2006 opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting. De gemeente had 100% van de grond aan het niet-woongedeelte toegerekend. De Waarderingskamer van de rechtbank Haarlem heeft nu een vuistregel geformuleerd. De waarde van de grond kan in de meeste gevallen naar rato van de verdeling van de waarde van de gebouwen verdeeld worden in een woondeel en een niet-woongedeelte. De rechtbank zag daardoor, nog afgezien van de vraag of het de gemeente vrij stond af te wijken van waarderingsregels die de Waarderingskamer geeft, geen aanleiding de door de gemeente voorgestane wijze van waarderen te volgen. Met toepassing van de vuistregel van de Waarderingskamer rekende de rechtbank 42,2% van de kavel toe aan het woondeel van het object.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.

Nieuwsbrief november

ONJUISTE VERWERKING ELEKTRONISCHE AANGIFTE VOOR REKENING FISCUS
Een BV deed in 2005 elektronisch aangifte vennootschapsbelasting. Als aangiftetijdvak werd daarin vermeld 1-1-2003 t/m 31-12-2004. Het aan de BV uitgereikte aangiftebiljet vermeldde echter als tijdvak maart 2004 tot en met december 2004. De BV ontving in november 2006 een ambtshalve vastgestelde primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2004 met een verzuimboete. Dit omdat geen aangifte zou zijn gedaan. De BV maakte bezwaar en verstrekte de belastingdienst een kopie van de door haar ingediende aangifte. De fiscus bevestigde dat in 2005 inderdaad een aangifte was ontvangen. De inhoud daarvan was echter onbereikbaar gebleven. Deze was niet doorgegeven aan de achterliggende systemen omdat geen sprake was van een overeenkomend tijdvak. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op conform de van de BV ontvangen kopie van de aangifte. De BV tekende hiertegen beroep aan. De Rechtbank Breda verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag. Er was sprake van een ambtelijk verzuim omdat de inspecteur er pas na het vaststellen van de primitieve aanslag achterkwam dat een aangifte was ingediend. De fout was het gevolg van een onjuiste verwerking van de binnengekomen aangifte door de computersystemen van de belastingdienst en kon de BV niet worden verweten.

TOEGEKEND TANTIÈME BEHOORDE NIET TOT PENSIOENGRONDSLAG
Een BV deed een pensioentoezegging aan haar directeur-grootaandeelhouder (DGA). Volgens een aanvulling op de arbeidsovereenkomst werd onder pensioengevend loon verstaan 12 maal het vaste maandloon zoals van toepassing op het moment dat de basispensioengrondslag werd vastgesteld, vermeerderd met vakantietoeslag en het schriftelijk met de werkgever overeengekomen gegarandeerde tantième. Vóór 2003 was aan de DGA geen tantième toegekend. In 2003 was een tantième van € 100.000 toegekend. Tussen partijen was vervolgens in geschil of de BV in 2003 bij de bepaling van de hoogte van de pensioenvoorziening het aan de DGA toegekend tantième tot de pensioengrondslag mocht rekenen. Hof Arnhem bevestigde in hoger beroep het oordeel van Rechtbank Arnhem: er mocht bij de vaststelling van de hoogte van de pensioenvoorziening geen rekening worden gehouden met het toegekende tantième. Onder een ‘vast’ tantième diende namelijk te worden verstaan een tantième dat – evenals salaris – bedoeld was als een structureel en gegarandeerd beloningselement. Daarvan was volgens het hof hier geen sprake en dus behoorde het tantième niet tot de pensioengrondslag.

VERHUURDER KAN ONDERNEMING GERUISLOOS OMZETTEN IN BV
Een ondernemer dreef voor eigen rekening en risico tot 1 januari 2000 een winkel in sportartikelen. Per die datum verhuurde de ondernemer de onderneming aan zijn zoon. De verhuur had betrekking op de vaste activa, inclusief goodwill, een woon-winkelpand en de winkelruimte van een ander pand, evenals de inventarissen en vervoermiddelen. De voorraden waren verkocht aan de zoon. In geschil was of vader de onderneming per 1 januari 2004 geruisloos kon omzetten in een (nieuw opgerichte) BV. De Rechtbank Arnhem oordeelde van wel en zo ook in hoger beroep Hof Arnhem. Die oordeelde dat de BV de rechten en plichten van vader uit het verhuurcontract had overgenomen en dus (mede) rechtstreeks werd verbonden voor de verbintenissen die de onderneming betreffen. De wetgever had er voor gekozen de kring van gerechtigden tot de faciliteit zelfs open te stellen voor niet-ondernemers (medegerechtigden). De bijzondere status van vader als verhurende ondernemer verhinderde de toepassing van de geruisloze inbrengfaciliteit niet.

HUURRECHT BEHOORDE TOT HET ONDERNEMINGSVERMOGEN
Een ondernemer had 25% van zijn huurwoning in gebruik als kantoorruimte ten behoeve van zijn eenmanszaak. In zijn aangifte had hij huisvestingskosten in mindering gebracht. De inspecteur weigerde deze aftrek. De rechter oordeelde uiteindelijk dat het huurrecht volgens de regels van de vermogensetikettering gekwalificeerd moest worden. Volgens het hof was sprake van keuzevermogen. De ondernemer was daardoor binnen de grenzen van de redelijkheid gebleven door het huurrecht van de woning als ondernemingsvermogen te etiketteren. Het huurrecht was de jaren vóór 2004 al als ondernemingsvermogen aangemerkt, waardoor er geen sprake was van herziening van een keuze in 2004.

RENTEAFTREKBEPERKING ART. 10D WET VPB 1969 NIET ONREDELIJK, ONDANKS COMPENSERENDE HEFFING
Een BV was in mei 2002 opgericht in verband met een bedrijfsoverdracht. In dat kader was door een concernvennootschap in die BV een gehele onderneming ingebracht tegen uitreiking van aandelen. De beoogde bedrijfsopvolgers namen via persoonlijke holdings deel in het kapitaal met ieder een belang van 1,12%. De BV had een grote schuld aan een concern-BV. In 2004, 2005 en 2006 waren geconsolideerde jaarrekeningen gemaakt waarbij de BV als dochtervennootschap tot de consolidatiekring was gerekend. Voor 2005 was in geschil of de BV de daarover verschuldigde rente vanwege het teveel aan vreemd vermogen kon aftrekken. De BV had onder meer het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel aangehaald en ook het beginsel van behoorlijke wetgeving. De aftrekbeperking had namelijk geen redelijke grond nu een ander lid van de groep belasting betaalde over de rente-inkomsten. De Rechtbank Haarlem oordeelde dat de BV met andere lichamen verbonden was in een groep en dat de aftrekbeperking van art. 10d Wet VPB 1969 dus op haar van toepassing was. De feitelijk beschikbare geconsolideerde jaarrekening was niet in strijd met de regels voor de jaarverslaggeving. Ook het feit dat een tegenbewijsregeling niet was opgenomen in dit artikel was door de wetgever redelijk geacht. Voorts kon de BV zich niet beroepen op EU-vrijheden, nu alle relevante feiten zich binnen de landsgrenzen hadden voorgedaan.

BEURSKRACH VAN INVLOED OP DE WAARDE VAN DE WONING 
Een woning was gewaardeerd op € 2.796.000. De eigenaar was van mening dat de prijzen in het topsegment van de woningmarkt, door de beurskrach in de periode 2002-2003, waren gedaald. Het hof was met Rechtbank Haarlem van oordeel dat de beurskrach inderdaad invloed had gehad op de waarde van woningen in het segment waartoe de woning van belanghebbende behoorde. De rechter achtte aannemelijk dat de waarde met ongeveer 10% was gedaald.

VAN ACTIEVE ONDERNEMING NAAR PASSIEVE BELEGGING
Een architect had tot 1996 onroerende zaken verkocht en gekocht, waaronder een winkelcentrum. In 2002 oordeelde Hof Arnhem in een proefproces dat in 1996 sprake was van een onderneming. De architect besteedde vanaf 1997 de exploitatie van het winkelcentrum uit aan een makelaar en verbleef regelmatig in het buitenland. In hoger beroep was voor Hof Arnhem vervolgens in geschil of de architect nog winst uit onderneming genoot. Het Hof oordeelde dat slechts van belang was of de aard en omvang van de voor de verhuur verrichte werkzaamheden meer zijn dan wat gebruikelijk was bij normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden als architect waren gestaakt, de werkzaamheden voor de exploitatie van een winkelcentrum waren uitbesteed, hij verbleef vaak in het buitenland en kocht en verkocht niet meer. De activiteiten van de architect ontwikkelden zich al daarom vóór 2001 van actieve onderneming naar passieve belegging. Er was in 2001 geen sprake meer van een objectieve onderneming.

DEMONSTRATRICES SPEELGOED WAREN IN DIENSTBETREKKING
Een producent van houten speelgoed en decoraties maakte voor de verkoop daarvan gebruik van demonstratrices. Deze fungeerden als gastvrouwen op speelgoedparty’s. Sommige demonstratrices waren op provisiebasis tevens regionaal teammanager. Die teammanagers overlegden ongeveer zes keer per jaar met hun team. De producent overlegde halfjaarlijks met de teammanagers. In geschil was of de arbeidsrelatie tussen de producent en de teammanagers als dienstbetrekking kwalificeerde en of dus terecht een naheffingsaanslag was opgelegd. De Rechtbank Haarlem oordeelde dat er een gezagsverhouding bestond en dat de teammanagers verplicht waren om persoonlijk arbeid te verrichten. Er was sprake van een dienstbetrekking.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.