Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Nieuwsbrief december 2008

GEEN BTW PRIVÉ GEBRUIK AUTO MEER BIJTELLEN?

Een holdingvennootschap had in een bepaalde periode 34 personenauto’s gekocht. De BV had de bij aanschaf aan haar in rekening gebrachte BTW in aftrek gebracht. De BV hield de auto’s telkens voor een beperkte periode aan en verkocht deze na verloop daarvan. Daarbij voldeed ze weer de BTW op aangifte. De fiscus had voor 30 van de 34 auto’s de BTW-aftrek gecorrigeerd en legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Hof Amsterdam oordeelde dat de BV de auto’s voor zakelijke doeleinden had gebruikt. Het was dan mogelijk om de auto’s te behandelen als goederen van de onderneming. Vervolgens besliste het hof dat de auto’s mede voor privédoeleinden van de bij de BV in loondienst werkzame directeur waren gebruikt en dat daarom de aftrek beperkt was op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). Het hof handhaafde de naheffingsaanslag. De BV ging vervolgens naar de Hoge Raad en die heeft recent beslist tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het betreft onder andere vragen in het kader van de verenigbaarheid van het BUA met de Zesde richtlijn voor wat betreft het privégebruik van ondernemingsgoederen (auto’s) door personeel.

Op basis van deze vragen ligt het voor de hand dat het BUA door de Europese rechter onverbindend verklaard wordt. Het is raadzaam om tegen de laatste BTW-aangifte over 2008, waarin o.a. dit privé gebruik aangegeven wordt, bezwaar te maken en te verwijzen naar deze lopende procedure. Houd ook onze nieuwsberichten hierover in de gaten.

MAATREGELEN CRISIS: WILLEKEURIGE AFSCHRIJVING EN LAAG VPB-TARIEF
In de najaarsnota 2008 zijn maatregelen genoemd die de economie moeten ondersteunen in de kredietcrisis. Via een ministeriele regeling zal een tijdelijke mogelijkheid van willekeurige of vervroegde afschrijving mogelijk worden gemaakt. Bedrijven kunnen door de maatregel investeringen die tussen 1 januari 2009 en 31 december 2009 plaatsvinden in twee jaar afschrijven, dus maximaal 50% in 2009 en 50% in 2010. De willekeurige of vervroegde afschrijving 2009 is van toepassing voor zowel VPB- als IB-ondernemers en geldt voor alle bedrijfsmiddelen met uitzondering o.a. van woningen, bedrijfsgebouwen, personenauto’s en immateriële vaste activa. De Staatssecretaris van Financiën beziet nog of de maatregel ook kan worden toegepast op zeer zuinige personenauto’s en of er aanvullende voorwaarden nodig zijn om onbedoeld gebruik te voorkomen. Verder zal het MKB-tarief van de tweede schijf in de vennootschapsbelasting worden verlaagd van 23% tot 20% voor de jaren 2009 en 2010. Dit tarief geldt tot een bedrag van € 200.000.

VERDWENEN AANGIFTE IN COMPUTERSYSTEEM VORMDE AMBTELIJK VERZUIM
Een BV deed voor het jaar 2004 aangifte vennootschapsbelasting. Het ingevulde eerste verlengde boekjaar week echter af van het verkorte boekjaar op het aangiftebiljet. Als gevolg hiervan bleef de aangifte in het systeem ‘hangen’. Omdat de fiscus in de veronderstelling was dat de aangifte niet was ingediend, werd een ambtshalve aanslag opgelegd, echter naar een bedrag dat lager was dan vermeld was in de aangifte. De inspecteur ontdekte dat al een aangifte was ingediend en legde een navorderingsaanslag op naar het aangegeven bedrag. Rechtbank Breda oordeelde dat sprake was van een ambtelijk verzuim. De ontstane fout was het gevolg van een onjuiste verwerking van de aangifte door de fiscus. Dat de aangifte elektronisch ingediend moest worden, kon de BV niet worden tegengeworpen, evenmin als de omstandigheid dat het onjuiste boekjaar was ingevuld. Ook de stelling dat sprake was van kwade trouw werd door de rechtbank verworpen. De fiscus motiveerde daarvoor namelijk onvoldoende de stelling, dat sprake was van een voorzienbaar en aanmerkelijk gevaar van een onjuiste beoordeling van de aangifte door de fiscus.

INVOERING WETSVOORSTEL PERSONENVENNOOTSCHAPPEN EN VIERDE TRANCHE AWB UITGESTELD
De Eerste Kamer wenst het wetsvoorstel ‘Personenvennootschappen’ (het wetsvoorstel over de openbare vennootschappen) gelijktijdig te behandelen met de daarbij behorende Invoeringswet. Die moet nog in de Tweede Kamer worden behandeld. Hetzelfde geldt voor de ‘Vierde tranche AWB’ (het wetsvoorstel waardoor ook aan adviseurs een boete opgelegd kan worden). De invoeringsdatum is onduidelijk; waarschijnlijk is dat niet voor 1 juli 2009.

TUINAANPASSING VORMDE HULPMIDDEL
Een vrouw kon na een operatie aan haar knie niet meer hurken en niet meer op haar knieën zitten. Op medisch advies had zij haar tuin laten aanpassen. De kosten hiervan waren door de fiscus en vervolgens ook door de Rechtbank Arnhem niet in aftrek toegelaten, omdat geen sprake was van een hulpmiddel. In hoger beroep oordeelde het hof dat de aangebrachte aanpassing van de tuin van haar woning een hulpmiddel was. Hiermee is de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit terrein achterhaald. De kosten konden als buitengewone uitgaven in aftrek worden gebracht.

BOEKHOUDER MOCHT WONING MET KLEINE WERKKAMER NIET TOT ONDERNEMINGSVERMOGEN REKENEN
Een ondernemer maakte deel uit van een samenwerkingsverband dat een administratiekantoor uitoefende. In zijn nieuwe woning beschikte hij over een onzelfstandige werkruimte. Deze gebruikte hij voor zijn onderneming. Ook elders beschikte hij over werkruimte. Rechtbank Breda oordeelde dat de ondernemer zijn woning niet tot het ondernemingsvermogen kon rekenen. De woning was niet splitsbaar en werd zowel voor privé- als voor ondernemingsdoeleinden gebruikt. Als hoofdregel is er dan weliswaar sprake van keuzevermogen: de ondernemer kan dan het pand als privévermogen of als ondernemingsvermogen aanmerken; nu was echter het privé-gedeelte zodanig overheersend ten opzichte van het ondernemingsgedeelte dat de grenzen van de redelijkheid overschreden waren door het pand tot het ondernemingsvermogen te rekenen. De oppervlakte van de werkruimte was slechts 9% van de totale woonoppervlakte. De inhoud van de werkruimte bedroeg slechts 7% van de totale woninginhoud. Daarbij kwam ook nog dat het gebruik van de werkkamer alleen een aanvullende functie voor de beroepsuitoefening had.

LUNCHKOSTEN BELASTINGVRIJ VERGOED VIA VASTE VERGOEDING 
Een onderneming verstrekte (onbelaste) vaste kostenvergoedingen aan haar directeuren en aan technisch personeel. De fiscus had een deel hiervan als bovenmatig aangemerkt en tot het belastbare loon gerekend. Hof Den Bosch oordeelde dat de lunchkosten van twee directeuren niet in aanmerking kwamen om onderdeel uit te maken van een onbelaste vaste kostenvergoeding omdat geen sprake was van relatief lage, regelmatige kostenbedragen. Dit oordeel was volgens de Hoge Raad onjuist. Als hoofdregel konden ook variabele, niet-regelmatige kosten, maar die wel konden worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon, voor een vaste vergoeding in aanmerking komen. In de verwijzingsprocedure bij Hof Arnhem stemde de fiscus er alsnog mee in dat de vergoedingen voor bedoelde lunchkosten belastingvrij waren.

GEEN LIJFRENTEAFTREK BIJ EIGEN BV NA VOORGENOMEN STAKING ONDERNEMING IN NEDERLAND
Een landbouwbedrijf in de vorm van een manvrouw maatschap werd te koop aangeboden. Doel was om een landbouwbedrijf in Duitsland op te zetten, omdat in Nederland geen ruimte was voor uitbreiding. Er werd een BV opgericht die als vennoot deelnam in de maatschap. Bij de BV bedongen de man en de vrouw een lijfrente tegen overdracht van de onderneming aan de BV. De inspecteur weigerde de lijfrentepremieaftrek, omdat de BV volgens de inspecteur feitelijk de onderneming niet voortzette. Uiteindelijk oordeelde de rechter dat het bedingen van een lijfrente bij de BV die de onderneming overneemt, niet kan leiden tot premieaftrek als al vaststaat dat de BV de onderneming zal overdragen. Hier stond vast dat het bedrijf verplaatst zou worden naar Duitsland, nu onder andere de verkoop van de onderneming in Nederland al in gang was gezet. De volledige landbouwonderneming in Nederland was gestaakt. Het weigeren van de lijfrentepremieaftrek was terecht.

WELK PERCENTAGE VAN DE KAVEL BEHOORT TOT HET WOONDEEL?
Een onderneming was gebruiker van een verzorgingshuis met aanleunwoningen . Niet in geschil was dat 42,2% van het object in hoofdzaak tot woning diende en 57,8% niet in hoofdzaak tot woning diende. In geschil was de voor 2006 opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting. De gemeente had 100% van de grond aan het niet-woongedeelte toegerekend. De Waarderingskamer van de rechtbank Haarlem heeft nu een vuistregel geformuleerd. De waarde van de grond kan in de meeste gevallen naar rato van de verdeling van de waarde van de gebouwen verdeeld worden in een woondeel en een niet-woongedeelte. De rechtbank zag daardoor, nog afgezien van de vraag of het de gemeente vrij stond af te wijken van waarderingsregels die de Waarderingskamer geeft, geen aanleiding de door de gemeente voorgestane wijze van waarderen te volgen. Met toepassing van de vuistregel van de Waarderingskamer rekende de rechtbank 42,2% van de kavel toe aan het woondeel van het object.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.

Nieuwsbrief november

ONJUISTE VERWERKING ELEKTRONISCHE AANGIFTE VOOR REKENING FISCUS
Een BV deed in 2005 elektronisch aangifte vennootschapsbelasting. Als aangiftetijdvak werd daarin vermeld 1-1-2003 t/m 31-12-2004. Het aan de BV uitgereikte aangiftebiljet vermeldde echter als tijdvak maart 2004 tot en met december 2004. De BV ontving in november 2006 een ambtshalve vastgestelde primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2004 met een verzuimboete. Dit omdat geen aangifte zou zijn gedaan. De BV maakte bezwaar en verstrekte de belastingdienst een kopie van de door haar ingediende aangifte. De fiscus bevestigde dat in 2005 inderdaad een aangifte was ontvangen. De inhoud daarvan was echter onbereikbaar gebleven. Deze was niet doorgegeven aan de achterliggende systemen omdat geen sprake was van een overeenkomend tijdvak. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op conform de van de BV ontvangen kopie van de aangifte. De BV tekende hiertegen beroep aan. De Rechtbank Breda verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag. Er was sprake van een ambtelijk verzuim omdat de inspecteur er pas na het vaststellen van de primitieve aanslag achterkwam dat een aangifte was ingediend. De fout was het gevolg van een onjuiste verwerking van de binnengekomen aangifte door de computersystemen van de belastingdienst en kon de BV niet worden verweten.

TOEGEKEND TANTIÈME BEHOORDE NIET TOT PENSIOENGRONDSLAG
Een BV deed een pensioentoezegging aan haar directeur-grootaandeelhouder (DGA). Volgens een aanvulling op de arbeidsovereenkomst werd onder pensioengevend loon verstaan 12 maal het vaste maandloon zoals van toepassing op het moment dat de basispensioengrondslag werd vastgesteld, vermeerderd met vakantietoeslag en het schriftelijk met de werkgever overeengekomen gegarandeerde tantième. Vóór 2003 was aan de DGA geen tantième toegekend. In 2003 was een tantième van € 100.000 toegekend. Tussen partijen was vervolgens in geschil of de BV in 2003 bij de bepaling van de hoogte van de pensioenvoorziening het aan de DGA toegekend tantième tot de pensioengrondslag mocht rekenen. Hof Arnhem bevestigde in hoger beroep het oordeel van Rechtbank Arnhem: er mocht bij de vaststelling van de hoogte van de pensioenvoorziening geen rekening worden gehouden met het toegekende tantième. Onder een ‘vast’ tantième diende namelijk te worden verstaan een tantième dat – evenals salaris – bedoeld was als een structureel en gegarandeerd beloningselement. Daarvan was volgens het hof hier geen sprake en dus behoorde het tantième niet tot de pensioengrondslag.

VERHUURDER KAN ONDERNEMING GERUISLOOS OMZETTEN IN BV
Een ondernemer dreef voor eigen rekening en risico tot 1 januari 2000 een winkel in sportartikelen. Per die datum verhuurde de ondernemer de onderneming aan zijn zoon. De verhuur had betrekking op de vaste activa, inclusief goodwill, een woon-winkelpand en de winkelruimte van een ander pand, evenals de inventarissen en vervoermiddelen. De voorraden waren verkocht aan de zoon. In geschil was of vader de onderneming per 1 januari 2004 geruisloos kon omzetten in een (nieuw opgerichte) BV. De Rechtbank Arnhem oordeelde van wel en zo ook in hoger beroep Hof Arnhem. Die oordeelde dat de BV de rechten en plichten van vader uit het verhuurcontract had overgenomen en dus (mede) rechtstreeks werd verbonden voor de verbintenissen die de onderneming betreffen. De wetgever had er voor gekozen de kring van gerechtigden tot de faciliteit zelfs open te stellen voor niet-ondernemers (medegerechtigden). De bijzondere status van vader als verhurende ondernemer verhinderde de toepassing van de geruisloze inbrengfaciliteit niet.

HUURRECHT BEHOORDE TOT HET ONDERNEMINGSVERMOGEN
Een ondernemer had 25% van zijn huurwoning in gebruik als kantoorruimte ten behoeve van zijn eenmanszaak. In zijn aangifte had hij huisvestingskosten in mindering gebracht. De inspecteur weigerde deze aftrek. De rechter oordeelde uiteindelijk dat het huurrecht volgens de regels van de vermogensetikettering gekwalificeerd moest worden. Volgens het hof was sprake van keuzevermogen. De ondernemer was daardoor binnen de grenzen van de redelijkheid gebleven door het huurrecht van de woning als ondernemingsvermogen te etiketteren. Het huurrecht was de jaren vóór 2004 al als ondernemingsvermogen aangemerkt, waardoor er geen sprake was van herziening van een keuze in 2004.

RENTEAFTREKBEPERKING ART. 10D WET VPB 1969 NIET ONREDELIJK, ONDANKS COMPENSERENDE HEFFING
Een BV was in mei 2002 opgericht in verband met een bedrijfsoverdracht. In dat kader was door een concernvennootschap in die BV een gehele onderneming ingebracht tegen uitreiking van aandelen. De beoogde bedrijfsopvolgers namen via persoonlijke holdings deel in het kapitaal met ieder een belang van 1,12%. De BV had een grote schuld aan een concern-BV. In 2004, 2005 en 2006 waren geconsolideerde jaarrekeningen gemaakt waarbij de BV als dochtervennootschap tot de consolidatiekring was gerekend. Voor 2005 was in geschil of de BV de daarover verschuldigde rente vanwege het teveel aan vreemd vermogen kon aftrekken. De BV had onder meer het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel aangehaald en ook het beginsel van behoorlijke wetgeving. De aftrekbeperking had namelijk geen redelijke grond nu een ander lid van de groep belasting betaalde over de rente-inkomsten. De Rechtbank Haarlem oordeelde dat de BV met andere lichamen verbonden was in een groep en dat de aftrekbeperking van art. 10d Wet VPB 1969 dus op haar van toepassing was. De feitelijk beschikbare geconsolideerde jaarrekening was niet in strijd met de regels voor de jaarverslaggeving. Ook het feit dat een tegenbewijsregeling niet was opgenomen in dit artikel was door de wetgever redelijk geacht. Voorts kon de BV zich niet beroepen op EU-vrijheden, nu alle relevante feiten zich binnen de landsgrenzen hadden voorgedaan.

BEURSKRACH VAN INVLOED OP DE WAARDE VAN DE WONING 
Een woning was gewaardeerd op € 2.796.000. De eigenaar was van mening dat de prijzen in het topsegment van de woningmarkt, door de beurskrach in de periode 2002-2003, waren gedaald. Het hof was met Rechtbank Haarlem van oordeel dat de beurskrach inderdaad invloed had gehad op de waarde van woningen in het segment waartoe de woning van belanghebbende behoorde. De rechter achtte aannemelijk dat de waarde met ongeveer 10% was gedaald.

VAN ACTIEVE ONDERNEMING NAAR PASSIEVE BELEGGING
Een architect had tot 1996 onroerende zaken verkocht en gekocht, waaronder een winkelcentrum. In 2002 oordeelde Hof Arnhem in een proefproces dat in 1996 sprake was van een onderneming. De architect besteedde vanaf 1997 de exploitatie van het winkelcentrum uit aan een makelaar en verbleef regelmatig in het buitenland. In hoger beroep was voor Hof Arnhem vervolgens in geschil of de architect nog winst uit onderneming genoot. Het Hof oordeelde dat slechts van belang was of de aard en omvang van de voor de verhuur verrichte werkzaamheden meer zijn dan wat gebruikelijk was bij normaal vermogensbeheer. De werkzaamheden als architect waren gestaakt, de werkzaamheden voor de exploitatie van een winkelcentrum waren uitbesteed, hij verbleef vaak in het buitenland en kocht en verkocht niet meer. De activiteiten van de architect ontwikkelden zich al daarom vóór 2001 van actieve onderneming naar passieve belegging. Er was in 2001 geen sprake meer van een objectieve onderneming.

DEMONSTRATRICES SPEELGOED WAREN IN DIENSTBETREKKING
Een producent van houten speelgoed en decoraties maakte voor de verkoop daarvan gebruik van demonstratrices. Deze fungeerden als gastvrouwen op speelgoedparty’s. Sommige demonstratrices waren op provisiebasis tevens regionaal teammanager. Die teammanagers overlegden ongeveer zes keer per jaar met hun team. De producent overlegde halfjaarlijks met de teammanagers. In geschil was of de arbeidsrelatie tussen de producent en de teammanagers als dienstbetrekking kwalificeerde en of dus terecht een naheffingsaanslag was opgelegd. De Rechtbank Haarlem oordeelde dat er een gezagsverhouding bestond en dat de teammanagers verplicht waren om persoonlijk arbeid te verrichten. Er was sprake van een dienstbetrekking.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.