Naar Van Vugt & Van Hulten

nieuws

Nieuwe regelgeving voor BTW en cadeau/kortingsbonnen

De Tweede Kamer heeft op 15 februari 2018 ingestemd met nieuwe regels met betrekking tot vouchers. De regels zouden een einde moeten maken aan een aantal onduidelijkheden voor de heffing van BTW waarbij vouchers (waaronder cadeau- en kortingsbonnen), als tegenprestatie worden gebruikt. De nieuwe regels hebben in het bijzonder betrekking op de definitie en de soorten van vouchers, het al dan niet heffen van BTW bij transacties met vouchers en de maatstaf van heffing bij belaste transacties met een voucher. Hoofdregel bij vouchers voor eenmalig gebruik is, dat BTW is verschuldigd bij uitgifte. Het wetsvoorstel moet 1 januari 2019 in werking treden.

tekst:

Kosten incontinentieluiers aftrekbaar

In een aangifte inkomstenbelasting over 2014 werden specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Die hadden betrekking op onder andere uitgaven voor ‘Tena Lady’. Die waren bij de apotheek gekocht. De fiscus accepteerde de aftrek niet. In beroep oordeelde de rechtbank dat de uitgaven voor de Tena Lady wel aftrekbaar waren. De fiscus stelde beroep in tegen de aftrekbaarheid van het incontinentiemateriaal. Volgens Hof Den Haag was incontinentie het gevolg van een verstoring van de normale lichaamsfunctie van de mens. Dit was een gevolg van ziekte of invaliditeit. Er was aannemelijk gemaakt dat het gebruikte incontinentiemateriaal een hulpmiddel van zodanige aard was dat het hoofdzakelijk door zieke of invalide personen werd gebruikt. Het gebruikte incontinentiemateriaal had geen betrekking op een zorgvorm die zou vallen onder het verplicht te verzekeren risico op grond van de Zorgverzekeringswet. De wettelijke aftrekbeperking was daardoor niet van toepassing. De kosten voor Tena Lady waren aftrekbaar.

uitspraak:

Schade kon waarde auto tbv BPM verminderen

Een BV deed aangifte BPM voor de registratie van een uit een andere EU-lidstaat afkomstige personenauto. De auto was door de BV gekocht voor € 65.000 (exclusief BTW en BPM). Bij de aangifte werd een taxatierapport gevoegd. Daarin was de handelsinkoopwaarde (€ 67.398) bepaald aan de hand van de koerslijst Eurotaxglass’s (€ 71.484) minus schade (€ 4.086). De fiscus nodigde de BV uit om de auto te laten hertaxeren. Daar ging de BV niet op in. De fiscus accepteerde daarom de schade niet. Voor de rechter was in geschil of de naheffingsaanslag BPM van € 831 terecht was. In hoger beroep oordeelde Hof ‘s-Hertogenbosch dat de BV door niet te voldoen aan de toonplicht haar bewijspositie had verzwakt. Dat betekende echter nog niet dat de fiscus aan de door de BV gestelde waardevermindering in verband met schade zomaar voorbij kon gaan. Die schade kon ook aan de hand van foto’s aannemelijk worden gemaakt. Omdat op de foto’s niet goed was te zien dat sprake was van meer dan normale slijtage kreeg de fiscus toch het voordeel van de twijfel. Vanwege het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en software werd de schade nog wel vastgesteld op een bedrag van € 254 inclusief BTW.

uitspraak:

Lening zakelijk, afwaardering aftrekbaar

Een BV, die vaak verlies had geleden, kreeg in 2007 een grote opdracht. Daardoor ontstond ook een (extra) financieringsbehoefte. De werknemer/directeur van de BV verstrekte in 2008 een lening van € 300.000 en verwierf 5067 aandelen van € 1. Twee andere directieleden deden hetzelfde.

De grootaandeelhouder van de BV zette € 1,8 mio van een bestaande lening om in een geldlening. Daarop waren dezelfde voorwaarden van toepassing als voor de leningen van de directieleden. De dienstbetrekking van de werknemer bij de BV eindigde in 2011. Hij verkocht de aandelen voor € 1 en de vordering voor € 30.000. Ter zake van de lening nam hij in zijn IB-aangifte over 2011 een afwaarderingverlies op van € 337.972. De fiscus corrigeerde de aangifte en stelde dat er sprake was van een bodemlozeputlening.

In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat er geen sprake was van een bodemlozeputlening. Ten tijde van het verstrekken van de geldlening had de werknemer nog niet eerder geld geleend aan de BV en ook geen aandelen gehad in die BV. Volgens het hof was het dan ook volstrekt onaannemelijk dat het op dat moment duidelijk was dat de lening nooit meer zou worden terugbetaald. Ook was er geen sprake van een deelnemerschapslening of van een onzakelijke lening.

Ook in cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de verstrekte lening niet was aan te merken als een deelnemerschapslening en evenmin als een onzakelijke lening. De afwaardering was terecht gedaan.

uitspraak:

Inbrengwaarde zelf ontwikkelde tool

Een systeemprogrammeur ontwikkelde in zijn vrije tijd software. Daarmee was het mogelijk om op een pc aanpassingen en verbeteringen voor mainframeapplicaties te ontwikkelen. Hij stelde deze tool jarenlang om niet ter beschikking aan zijn werkgever en aan zijn collega’s. In 1995 richtte hij een onderneming op. Tot 2011 verrichtte deze onderneming geen activiteiten. In 2011 werd de tool ingebracht in zijn onderneming. De tool werd daarbij geactiveerd voor de waarde in het economisch verkeer (WEV) van € 250.000. In de aangifte inkomstenbelasting over 2012 voerde de programmeur een willekeurige afschrijving op van € 100.000. De fiscus corrigeerde de aangifte en accepteerde slechts een afschrijving van € 5.000. Volgens de fiscus moest de tool worden geactiveerd tegen de historische kostprijs van € 5.000. In beroep stelde de programmeur dat er sprake moest zijn van een inhaalafschrijving over het jaar 2011 van € 50.000 en een normale afschrijving over het jaar 2012 van € 50.000. Per saldo zou dan over het jaar 2012 een bedrag van € 100.000 aan afschrijving ten laste van het resultaat worden gebracht. In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat er bij de waardebepaling van de tool sprake was van nog niet gerealiseerde opbrengst van arbeid. Volgens het hof werd, door de tool via de onderneming voor eigen rekening te exploiteren, alsnog de opbrengsten van de in het verleden verrichte arbeid gerealiseerd. De te activeren waarde mocht dan niet worden vastgesteld op de WEV. Die moest volgens het Hof worden vastgesteld op het in de waarde begrepen bedrag van de daarvoor ten behoeve van de werkzaamheden gemaakte kosten, voor zover deze niet al ten laste van het inkomen konden worden gebracht. In het cassatieberoep concludeerde de Advocaat-generaal (A-G) dat met de vaststelling van het hof dat de tool door eigen arbeid was verricht, geenszins vast stond dat er sprake was van ‘andere arbeid’. Die arbeid kon ook in de privésfeer zijn verricht. Verder merkte de A-G nog op dat de waarde van de tool niet was aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van ‘andere arbeid’. De inbrengwaarde van de tool moest worden bepaald volgens de regels van het totaalwinstbeginsel: tegen de waarde in het economisch verkeer. De A-G adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep gegrond te verklaren.

uitspraak: